Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Abt. 21

32

c. dat, indien de andere ouder anders dan op grond van dit artikel ten laste van 's Rijks schatkist eene kindertoelage geniet, de in dit artikel bedoelde toelage slechts wordt uitgekeerd, indien en voor zoover deze toelage hooger is dan hetgeen door den anderen ouder uit evengenoemden hoofde wordt genoten.

2. Voor de betrekkingen, die bezoldigd worden met een evenredig gedeelte van de wedde van eene andere betrekking, geldt als minimum een in dezelfde evenredigheid bepaald gedeelte van het in het eerste lid, onder a, gestelde minimum. (6).

3. Onverminderd het bepaalde in het vorige lid, geldt het in het eerste lid onder a gestelde minimum niet voor de betrekkingen, welke als nevenbetrekkingen zgn te beschouwen, tenzij de ambtenaar meer dan één van dergelijke betrekkingen bekleedt en daarin eene volle dagtaak vindt, in welk geval, indien de toelage over de gezamenlijke bezoldiging minder bedraagt dan het evengenoemde minimum, die toelage met dat verschil wordt verhoogd. (4, 7).

4. Ten aanzien van pleegkinderen, die deel uitmaken van het gezin van den ambtenaar en geheel als eigen kinderen door hem worden onderhouden en opgevoed en voor wie de aftrek van het belastbaar inkomen voor de Rijksinkomstenbelasting is toegestaan, zijn de vorige leden van dit artikel van overeenkomstige toepassing. (13).

(1) (Off.) Voor het jaar 1925 is het percentage van den kinderbijslag van 2% op 3 pet. gebracht. Dientengevolge zal voor de groote gezinnen de salarisvermindering minder drukkend worden. Het minimum-bedrag der kindertoelage is om billijkheidsredenen verhoogd van ƒ 50 tot f 60, terwijl het maximum-bedrag in verband daarmede is gebracht op f 240.

(2) De mogelijkheid, dat ieder jaar de toelage wijziging ondergaat, wegens verandering in het getal kinderen, waarvoor zij genoten zal worden, maakt het noodig, dat zij buiten den pensioensgrondslag blijft.

Daarom is zij, overeenkomstig haar karakter, aangeduid als tijdelijk.

(3) Wanneer man en vrouw beiden een of meer Rijksbetrekkingen bekleeden, wordt het ambtsinkomen, dat van een hunner het minste is, buiten beschouwing gelaten, ten einde hen niet te doen achterstaan bij hen, voor wie een ambtsinkomen mocht voortvloeien uit anderen hoofde.

(4) Bedoeling is om het gegarandeerde minimum-bedrag der kindertoelage niet steeds deelachtig te doen worden aan hen, wier ambt slechts bijkomstig is. Ten einde dit duidelijk te doen uitkomen, strekt de voorwaarde van dit lid. Een persoon dus, wiens hoofdbetrekking een particuliere of gemeentelijke is en die als leeraar aan een Rijksonderwijsinrichting slechts enkele uren les per week geeft, heeft weliswaar recht op den vóllen (3 %) kinderbijslag, doch zonder inachtneming van hel gestelde minimum van f 60.

(5) Verandering in het kindertal of in de genoten wedde en toelagen in den loop van het jaar, heeft voor het hopende jaar geen verandering in het bedrag der kindertoelage tengevolge.

(6) Voor een besteller bij het dienstvak der Posterijen, die niet een volle dagtaak heeft, en die wordt bezoldigd b.v. met 6/19 van het weekloon van een besteller met volle dagtaak, geldt dus als minimum-kindertoelage een bedrag van 57 y2 cent per week en per kind. (Zie artikel 24, 7e lid.)

Sluiten