Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

43

Abt. 26

als commies een diensttijd te bezitten van 2 jaar en 3 maanden. Op 1 Januari 1926 moet hij dan worden bezoldigd naar 3 jaar of wel met f 2700, onder toekenning van den nog loopenden diensttijd van 1 jaar.

In het hiergestelde geval is de in den lageren rang nog overgebleven diensttijd van 5 maanden gehalveerd (afgerond tot 3 maanden). Daarvoor is reden, omdat de overgebleven diensttijd in den lageren rang ten opzichte van de periodieke verhoogingen in den hoogeren rang van waarde veranderde. Indien n.l. de nog overgebleven diensttijd in den lageren rang niet dezelfde waarde voor de periodieke verhoogingen in den hoogeren rang behoudt, dan behoort die diensttijd ook nimmer onveranderd medegeteld te worden. Zoo zal, ingeval in den lageren rang een bedrag, gelijk aan de eerstvolgende periodieke verhooging in den hoogeren rang, bereikt wordt in een grooter aantal jaren als daarvoor in den hoogeren rang is vastgesteld, de nog, naar een vólgende periodieke verhooging, hopende diensttijd in den lageren rang uiteraard niet ten vólle voor het hekennen der verdere periodieke verhoogingen in den hoogeren rang kunnen worden medegerekend, doch zal deze naar evenredigheid moeten worden verminderd.

Zijn die tijdvakken b.v. respectievelijk 3 en 2 jaren, of 4 en 2 jaren, dan wordt de nog hopende diensttijd in den logeren rang tot 2/8 en 1/t teruggebracht.

Op deze wijze bij normale bevorderingen handelende, blijven de onderlinge verhoudingen in den diensttijd van ambtenaren, ook na bevordering tot hoogeren rang, bewaard.

Terwijl deze berekening van den diensttijd uiteraard slechts geldt voor normale bevorderingen — dat zijn die, waarbij geen hoogere wedde wordt toegekend dan die, welke onmiddellijk ligt boven het bedrag in den logeren rang genoten — volgt daaruit, dat voor zoover in den lageren rang een diensttijd zou zijn verkregen, welke meer is dan noodig om het maximum der betrekkelijke schaal van bezoldiging van den lageren rang te bereiken, deze in ieder geval buiten aanmerking moet worden gelaten.

(Zie voorts de voorbeelden bij artikel 16 gegeven.)

In het hiervoren gestelde geval wordt dus de jaarwedde met ingang van 1 Januari 1926 op f 2700 vastgesteld.

Voor het geval voorts in 1925 vóór 1 April een buitengewone periodieke verhooging is toegekend, moet de daardoor in den rang van adjunctcommies verkregen meerdere diensttijd onveranderd worden opgeteld bij de hiervoren berekende 10 jaar en 5 maanden.

Is een extra verhooging hegekend bij de bevordering tot commies of daarna in 1925, dan moet de daardoor verkregen meerdere diensttijd als commies, eveneens onverkort, worden geteld bij den in dit voorbeeld verkregen diensttijd als commies van 3 jaar.

Wat de ambtenaren-werklieden betreft, voor dezen is op 1 Januari 1925 alle diensttijd, vervuld vóór het 23ste levensjaar, verwaarloosd.

Voor degenen, die benoemd zijn op of na 1 Januari 1920, wier eventuele diensttijd vóór Tiet 21ste jaar reeds niet medetelde voor de bezoldiging, komt dus het verlies thans neer op ten hoogste 2 dienstjaren.

Er was blijkbaar bij het opstellen van den laatsten zin van het eerste lid van artikel 26 oud, niet aan gedacht, dat voor ambtenaren-werklieden,

Sluiten