Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

UlTKEERINGSBEPAIJrTG

80

(Artikel III van net Kon. besluit van 9 December 1925, Staatsblad no. 467.)

Aan de op 1 Januari 1926 onder het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1925 in dienst zijnde ambtenaren en aan de gewezen ambtenaren, onder genoemd Bezoldigingsbesluit in dienst op 1 Juli 1925, aan wie met ingang van een datum, vallende na 1 Juli 1925, eervol ontslag is verleend of aan hunne rechtverkrijgenden, alsmede aan de rechtverkrijgenden van zoodanige gewezen ambtenaren, die op of na 1 Juli 1925 zijn overleden, wordt uitgekeerd hetgeen de ambtenaren aan wedde en toelagen meer zouden hebben genoten, indien de wijzigingen in het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1925, welke daarin met ingang van 1 Januari 1926 of, ingevolge het tweede lid van artikel IV, met ingang van een lateren dag in werking treden, zoomede die, welke met ingang van 1 Januari 1926 in de salarisregelingen of op grond van artikel 26, achtste lid, in den diensttijd mochten worden aangebracht, reeds van 1 Januari 1925 af van kracht waren geweest, zulks met dien verstande, dat daarbij:

o. voor zooveel een ambtenaar of gewezen ambtenaar, op grond van artikel 20, zooals dat luidde vóór de daarin bij dit besluit aangebrachte wijziging, meer heeft genoten, dan hij zou hebben genoten krachtens dat artikel, zooals dat bij dit besluit is gewijzigd, die wijziging buiten aanmerking blijft;

b. aangenomen wordt, dat het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1925 eene bepaling zou hebben bevat, gelijk aan die van het achtste lid van artikel 24, hetwelk bij dit besluit vervalt, behoudens, dat daarin in plaats van de cijfers „85" en „75" gelezen ware: „88" en „80";

c. de berekening van den op 1 Januari 1925 en in den loop van dat jaar toekomenden diensttijd geschiedt als in het gewijzigde artikel 26 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1925 aan de berekening van den op 1 Januari 1926 toekomenden diensttijd is ten grondslag gelegd;

d. buiten aanmerking blijft de wijziging van artikel 27 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1925.

TOELICHTING.

De bedoeling van deze bepaling is, om den ambtenaren voor eenmaal en in eens uit te keeren een bedrag vormende het verschil tusschen hetgeen zij over 1925 zouden hebben genoten aan wedde en toelagen, indien de op 1 Januari 1926 in werking tredende wijzigingen (zie St.bl. 467 van 1925) reeds van 1 Januari 1925 af hadden gegolden en hetgeen zij over 1925 hebben genoten volgens de regeling van het besluit 1925, zooals dat • vóór de wijziging bij St.bl. no. 467 luidde.

Eenige hierna volgende voorbeelden verduidelijken een en ander.

Sluiten