Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aarde vóór alles genot verlangde, vervloekte het leven, wijl het smart bracht. En tallooze romantici, ontnuchterd wel is waar door de hardheid des levens, hebben toch de hoop op eenige aardsche vreugde niet willen opgeven en zijn geslingerd tusschen de poging tot gelukkig leven en het verlangen naar opheffing des levens.

Zoo zocht men de verlossing dan tevens in de liefde. Hier was nu geen sprake van de christelijke „caritas", van de ontferming en het medelijden met den gevallen mensch — neen, hier was een Helleensche, heidensche opvatting van de schoonheid der zinlijke liefde, welke zelfs onstuimig kon worden begeerd en nagestreefd tegen alle wetten van fatsoen en zede in. Toch werd hieraan weer een echt pessimistische tendenz gegeven, door het besef dat de liefde meer in schijn, dan in werkelijkheid bestaat, dat ze in waarheid een teleurstellend leed medebrengt en dus een smartelijke Helde is. Het is treffend te zien, hoe zelfs naturalisten als Zola en Barbusse (in diens „Hel") in den grond echte romantfci zijn gebleven, door steeds den nadruk te leggen op de droeve zijde der sexualiteit. De opvatting, dat liefde en sexueele drift een noodlot is, waaraan men niet ontkomen kan, is zeker niet Grieksch van aard — ze is veeleer christelijk!

In de romantiek heeft het zoeken der liefde weder een aantal .ridderdeugden" doen verheerlijken: de galanterie, de overdreven dienstvaardigheid jegens de vrouw eenerzijds — en de heldenvereering, de aan-

26

Sluiten