Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

X

VOORREDE.

handen, dat er in Ovefijsel b.v. niets veranderde na 1795. De rechtspleging in afzonderlijke fora hield stand tot de rechterlijke organisatie, die dë inlijving ons bracht. Hebben artikelen 3 en 4 der Algemeene Beginselen van de Staatsregeling van 1798 op hoorigen betrekking ? Hoe dit zij, zeker is, dat men althans in Ovërijsel zich niets van die artikelen heeft aangetrokken. Of dan voor Gelderland juist is, wat aan het slot van no. 16 in het Kort Begrip wordt gezegd betreffende het hoofdgeld en de hand- en spandiensten?

Archiefonderzoek zou hier wel eens het tegendeel aan het licht kunnen brengen. Er is hieromtrent te Arnhem in het rijksarchiefdépót materiaal te vinden, dat nog ongerept is. Fockema Andreae heeft in zijn derden bundel der Bijdragen tot de Nederlandsche Rechtsgeschiedenis over de hoorigheid vóór 1795 veel mededeelingen gedaan. In zijn beschouwingen over de afschaffing der hoorigheid in § 16, p. 126 e.v., geeft hij als zijn meening te kennen, dat in 1795 een eind gemaakt is aan de persoonlijke onvrijheid en dat dit is bevestigd door gemelde artikelen der Staatsregeling van 1798. De vraag, of men in de praktijk het hoofdgeld en de hand- en spandiensten en casueele praestaties is blijven vorderen, laat hij onbesproken, maar uitvoerig gaat hij na wat er geworden is van het gebruiksrecht der hoorige boeren. Velen hebben op grond van kon. besluiten van 1816 en 1822 het recht van den Staat, als bloot eigenaar (hofheer) van boerderijen afgekocht. Wat is er geworden van het recht van hen, die niet afkochten? Zoowel ten aanzien van de boerderijen, waarvan de Staat als waarvan anderen hofheer (bloot eigenaar) waren, mag deze vraag gesteld.

In dezen bundel, gewijd aan oud-vaderlandsche rechtsgeschiedenis, heeft Fockema Andreae dus ook de periode na 1795 in zijn onderzoek betrokken. Niet dus omdat hij meende dat in 1795 al het oude is verdwenen, overschrijdt hij in zijn Oud Nederlandsch Burgerlijk Recht deze tijdgrens niet.

Er is bezwaar gemaakt tegen mijn indeeling der zakelijke rechten. Laat mij beginnen te zeggen, dat ik de algemeen gebruikelijke classificatie der moderne handboeken heb gevolgd. Ik zou hebben moeten volgen het schema, dat Andreae in zijn 0. N. B. R., deel I, p. 167, gaf, waar men leest: „De Germaansche dogmatiek onderscheidt scherp en juist tusschen zaken en zakelijke rechten. De laatste zijn die, welke het doorgaande genot van eene zaak geven." .... „Het zijn o. a. eigendom, leenrecht, tijnsrecht, beklemrecht, vruchtgebruik. Zaken daarentegen zijn de objecten van deze genotsrechten." .... „Zakelijke rechten zijn niet tevens zaken. Het leenrecht, het vruchtgebruik is zoo min eene zaak als het eigendomsrecht."

Nu mij er een grief van gemaakt is dit stelsel niet te hebben aanvaard, zij het mij veroorloofd te verklaren waarom ik het

Sluiten