Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OVERIJSEL (TWENTE, 1546).

27

't Brègnikam: de Maet; 't Graestorpe: Hesing; ende Bucht 't Asele; in Delden: Wilming. Als de egen lude van den ses hoven voers. sterven, so nempt de renthemeister of droste 't Lage al oer nagelaten guedt tot behoef Key. Mat., sowel van mannen als van vrouwen.

IV, p. 266 e.v. 1546. Rechten van de hofvrijen en kamerlingen, van den voormalig bisschoppelijken hof te Ootmarsum *). 16, 82. Item anno dusent vyfhondert XLVI stilo communi, den XXIen Martii, heft Johannes Huesken, hofmeyer 's hoves Oetmersen verdaget ende by-eyn geropen de vryen ende kemmerlingen 's hoves Oetmersen in den hof, om oer hofrechten to ordineren ende eyndrechtelycken 't concludeeren, gelyck se de van oldes plegen 't holden. Alsoe hebt de gemene vryen int eyrste geordineert eyn part van oren oldesten hofvryen met den hofmeyer voers. de princiapelste articulen orer hofrechten 't bescriven, gelyck de hofgenoten, anders genamt hofegenen, als voers. is, gedaen hebben. Ende syn geweest dese nabescr. hofvryen: item Johan Schulte 't Manre van den vryen van Oetmersen; item Gerd Wenemarinck ende Luken Boing van den vryen van Tubberge;item Hinrick Richtering, Gerd Scade, Johan ten Rade ende Berent Wolterinck van wegen der vryen van Ulsen; ende hebt concludeert eyndrechtelyck als navolget:

Eens in het jaar moeten alle hofvrijen komen op den hofdag in den hof te Ootmarsum; wie wegblijft, verbeurt boete, doch wordt niet belmondig.

16. I. Item de vryen 's hoves syn sculdich 't comen alle jaer in den hof Oetmersen up Guden Maendach, welck is de andere Maendach na Pinxteren, by verboerte van vyf olde Vleemschen, den hove 't vervallen; maer soe dar iemant vuyt bleve ende niet queme, de wort nochtans niet belmundich ende he blyft so vry als he voeren was.

Het naaste bloed van den of de hofvrije erft de nalatenschap, mits zelf ook hofvrij in deze echte zijnde. 16. II. Item wanneer eyn hofvrye, so wel man als wyf, stervet, soe verervet syn nagelaten guedt, bewechlick ende onbewechlick,

x) Terwijl het vorig stuk betrof hofhoorigen en hofeigenen van alle, onder Ootmarsum, als onder een appelgerecht, ressorteerende voormaals bisschoppelijke hoven, betreft dit stuk enkel de hofvrijen en kamerlingen van den hof Ootmarsum alleen.

Sluiten