Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

76

overijsel (deventer, 1486).

Als een erfgenaam wordt aangesproken voor schuld des erflaters, dan mag hij onder eede ontkennen, tenzij de eischer bewijs kan leveren. Ook kan de erfgenaam zich verlaten op den eed des eischers, als deze geen bewijs levert; weigert de eischer dan den eed, dan is hij zijn recht kwijt. Woerde oick wie artgespraken van saken, die hem anqueme 192. van der doeder hant, soe mach die angespraken weert nemen sess weken, hem dair op toe besyimen; wil hie hem dan tendes den sess weken der schuit ontuyten, dat mach hie doen myt synen eede, then weer sake, dat die anspreker hem dye schuit avergaen konde als een stadrecht is; ende wil hie den anspreker dat toegeven myt synen eede toe beholden, soe sal die anspreker die ansprake beholden myt sijnen eede; ende en wyl hie des dan nyet doen, soe en sal hie dair nyt aff hebben.

Als A. aan B. roerend goed geleend, in bewaring of in onderpand heeft gegeven, en B verkoopt het of wordt het op eenigerlei manier kwijt, dan zal A. sleokée B., die hem moest „waren", kunnen aanspreken, want „hand moet hand waren".

65. Item wie van onsen borgeren ofte ondersaten anderen onsen borgeren ofte ondersaten sijn goet geleent hadde of sijn goet in bewaringe gedaen hadde of sijn goet te onderpande gesat hadde, verkof te dan diegeene dat goet, die dat soe onder hadde of worde hie des werloos ennyger wys, soe sal een ygelijk synen waeren soeken, want hant sal hant waeren.

Rechten ende Gewoonten der Stadt Deventer, 1642 (ed. 1644). Deel I.

Titel III. Van burgeren ende derselver recht. Er zijn groot- en kleinburgers; aan het grootburgerschap is verbonden recht van gebruik der stadsweiden (1, 2, 3). Voortaan zullen de nazaten van hen, die na 1618 het kleinburgerschap verwierven, slechts kleinburgers zijn (4)1). 17. I. De burgerschap deser stadt is tweederley, de volle ofte groote, ende de cleyne ofte halve burgerschap.

17. *) Volgens art. V van dezen titel kon men het groot-burgerschap voor 300 en volgens art. VII het klein-burgerschap voor 12 goud-guldens verwerven; art. VIII legde de verplichting op aan hen, die tot burgers werden aangenomen, de verklaring af te leggen dat zij voorstanders waren van de ,,ware Gereformeerde religie" en een afkeer hadden van „alle papistische superstitiën".

Sluiten