Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VELUWE EN VELUWEZOOM (1604).

251

halver vnd voller broeders off susters achterghelaten guider tot ghelijcker deylungh sullen geadmittiert werden, wie sulcks van olts gewoonlick is.

De representatie, in 1540 ingevoerd en in 1544 bekrachtigd, blijft van kracht.

178. 5. Beheltelick oock dat die Constitutie van het recht der representatie, by hertoch Wilhelm van Gulich, Gelder, Cleve vnd Bergh, anno veertich, den thienden May, opghericht, vnd by K. M. int jaer van vier en tsestich1), den seventhienden Aprilis, gheconfirmeert, onvermindert vnd van volkomener weerd zy vnd blijve2).

Voordeel is er alleen bij leen-, heerlijke- en andere „vorderlicke" goederen.

6. Item op Veluwen vnd in Veluwenzoom en geit gheen

177. vordel in de successie, anders dan dat een yeder syne prerogatie ghenietende is in de leen-, heerhcke vnd andere vorderlicke goederen8).

Kinderen moeten inbrengen in de nalatenschap der ouders wat zij als uitboedeling hebben meegekregen, tenzij ze ervan vrijgesteld zijn. 180. 7. Vnd de kinderen, willende succedieren oeren olderen, zijn schuldich in te brengen wat hun van denselven oeren olderen ter hylicksstuer met ghegeven is, vnd anders niet, ten waer dat de olders int gheven van die guider anders bespraken

vnd bevurwart hadden.

.

\) Dit moet zijn: 1544.

178. 8) Representatie ten bate van kindskinderen en ten bate van oomsen tanteskinderen des erflaters voerde Hertog Willem van Gulik in voor Gelre en Zutphen den lOen Mei 1540 (Groot Gelders Placaetboeck, Appendix, p. 173). Zie hierna, p. 292. Keizer Karei V bevestigde dit op 17 April 1544 (G. G. P., I, p. 4), er bijvoegende dat heerlijke goederen

82, 107. (dat zijn goederen, die onder een hofheer of tijnsheer hooren) en leengoederen hun eigen natuur behielden. Zie ook de verklaring van de drie kwartieren van Gelderland van 29 Nov. 1560 (G. G. P., I, p. 283).

182, s) Over „heerlijke" goederen zie de vorige noot. Onder vorderlike 177. goederen (beter: zaken, nog beter: rechten) kan men in ruimen zin ver97. staan dezulke, die als ondeelbaar goed op één persoon vererven, onver113, schillig of de persoon, op wien het goed vererft, al of niet restoir moet doen aan zijn medeerfgenamen. In eigenlijken zin is er alleen dan van vorderlik (voordeelig) goed (recht) sprake, als het niet alleen ondeelbaar is, maar ook zonder verplichting tot restoir vererft, immers alleen dan krijgt men het boven of voor zijn erfdeel.

Sluiten