Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

147

ARTIKEL 138.

Strafbaar kan eerst hij zijn die binnengaat tegen den verklaarden wil, d. i. binnendringt, en wel wederrechtelijk.

De wilsverklaring die het binnengaan tot binnendringen maakt kan tweeledig zijn: zij kan door daden en door woorden gegeven worden1).

De enkele omstandigheid dat een erf besloten, een huis van een deur voorzien is, bewerkt niet dat het binnengaan binnendringen is; om als teeken van den verklaarden wil tot het buitensluiten te kunnen gelden moet de deur, het hek, in zoodanigen toestand gebracht zijn dat de toegang niet door enkel ontsluiten van buiten, openduwen of opendraaien, verkregen kan worden; kan zonder hulpmiddelen (als een sleutel) het binnengaan door den gewonen toegang verkregen worden, dan heeft de rechthebbende zijn tegen het binnentreden gerichten wil nog niet geopenbaard2).

De openstaande deur geeft wel niet aan een iegelijk het recht tot binnengaan, heft niet het verbod van artikel 165 der Grondwet op en is dus bestaanbaar met wederrechtelijk binnentreden, maar zij sluit uit dat dit binnentreden als binnendringen wordt gequalificeerd.

Intusschen kunnen ook hier omstandigheden aanwezig zijn die het binnentreden ook door een niet afgesloten deur verbieden. Te recht besliste de Rechtbank te Alkmaar») dat wanneer iemand door het tegenhouden en afsluiten van zijn achterdeur personen die hem achtervolgen feitelijk heeft te kennen gegeven dat hij hun zijn huis verbiedt, het toevallig ongesloten zijn van de voordeur niet uitsluit dat het binnentreden door die deur als binnendringen beschouwd moet worden; de beveihging van de achterdeur was hier feitelijk een verbieden van den toegang in het algemeen. Overigens geldt de uitsluiting van het verbod door het ongesloten zijn van den toegang alleen den gewonen toegang; een venster dat openstaat of van buiten opengeschoven kan worden kan niet

> Bn deze opvatting bestaat er geen onderscheid tusschen verklaarden en gebleken wil, zooals dat besproken wordt o.a. door S. J. L. M. van Schaik, De huisvredebreuk m de wet en praktijk, academisch proefschrift, Amsterdam 1899, bladz. 81 en volg., die onder verklaring aUeen schijnt te verstaan een mondelinge, althans een op het oogenbBk zelf gegeven verklaring.

Onjuist interpreteert deze schrijver overigens het arrest van den Hoogen Raad van 30 Januari 1893, W. 6298. Niet het aanwezig zijn van vijandige bedoelingen bn het gaan door een open deur in een huis wordt in dat arrest beschouwd als binnendringen, maar dit een en ander in verband met het voorafgegane openbreken van de deur door medebeklaagden, d.i. het handelen tegen den verklaarden — wil men: gebleken — wil des bewoners.

ki *J R,eec0htbank Winschoten, 31 Augustus 1887, Tijdschrift voor strafrecht II, bladz. 458.

3) Vonnis van 16 Juni 1891, W. 6068.

Sluiten