Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ARTIKEL 142.

188

daarin vóór het tegenwoordige artikel 431 een bepaling gevonden waarbij strafbaar gesteld werd „openbare rustverstoring door valsche „alarmkreten of signalen". De toehchting daarvan luidde dat het opzet van den dader niet op de rustverstoring gericht behoefde te zijn ofschoon deze werkelijk het gevolg zijner handeling moest wezen, maar dat hij wel bekend moest zijn met de valschbeid zijner alarmkreten of signalen1).

Dit laatste gaf aan de Commissie van Rapporteurs uit de Tweede Kamer aanleiding tot de opmerking dat het vereischte van die bekendheid in de wet behoorde te worden uitgedrukt. Tevens meende zij dat door dit op den voorgrond stellen van opzet aan het feit het karakter van misdrijf werd gegeven.

Het tweede gedeelte van dit betoog was echter gegrond in het onjuiste denkbeeld dat het vereischte van opzet bij een handeling een strafbaar feit, door die handeling gevormd, altijd tot misdrijf moet stempelen.

De Commissie stelde nu verplaatsing naar het Tweede Boek en een wijziging van redactie voor.

Aan dit dubbele voorstel gaf de Minister van justitie gevolg. De bepaling erlangde nu echter een strekking, waarvan niet afdoende bhjkt of zij wel geheel bedoeld was. Terwijl toch de aanmerking op de oorspronkelijke redactie was dat niet het vereischte van opzettehjk aanheffen van valsche kreten of geven van valsche signalen voor de strafbare rustverstoring was uitgedrukt, maar daarbij het karakter der rustverstoring als enkel gevolg — bedoeld of niet bedoeld — onaangetast bleef, maakte de nieuwe redactie de rustverstoring evenzeer als het aanheffen van kreten of geven van signalen tot voorwerp van het opzet. Het woord „opzettehjk" toch beheerscht volgens den grondregel der memorie van toelichting 2) al wat in de omschrijving van het misdrijf er op volgt.

Deze grondregel werd miskend in een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden, waarhij werd beshst dat het opzet niet op de rustverstoring gericht behoeft te zijn omdat „uit de plaatsing van „het woord opzettelijk onmiddellijk vóór de woorden door valsche „alarmkreten of signalen en niet onmiddelijk vóór de woorden de „rust verstoort blijkt dat de wetgever de wetenschap van den „dader dat de door hem geuite of aangeheven alarmkreten of door „hem gegeven signalen valsch zijn en den wR van den dader om „in weerwil van die hem bekende valschbeid toch zulke alarmkreten

*) Smidt II, eerste druk 93, tweede druk 94.

2) Smidt I, eerste druk 70 en 71, tweede druk 78.

Sluiten