Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

221

ARTIKEL 152.

het regelmatige tweegevecht, waarop de bepalingen van moord, doodslag en mishandeling niet toepasselijk zijn tenzij er bedriegelijke handelingen zijn gepleegd of van de voorwaarden is afgeweken 1).

De wet zelf geeft echter tot de opvatting der Commissie in zooverre aanleiding, als zij in artikel 154 van tweegevecht in het algemeen spreekt, ofschoon daar het regelmatige tweegevecht bedoeld wordt.

Een tweegevecht is in de eerste plaats, zooals de naam aanwijst, een gevecht tusschen twee personen.

Voorwaarde voor zijn bestaan is een voorafgaande uitdagingtwee personen die elkander ontmoetende zonder voorbereiding op elkaar aanvallen houden geen tweegevecht maar een vechtpartij. Er moet een overeenkomst zijn, al behoeft die niet lang te voren te zijn aangegaan. Al behoeven op deze overeenkomst niet strikt de geldigheidsvereischten van het civiele recht te worden toegepast toch brengt dit beginsel mede dat geen tweegevecht bestaanbaar is tusschen twee jonge kinderen of wanneer een dér partijen krankzinnig is ). Een eenzijdige aanval sluit uit den aard der zaak elke gedachte aan tweegevecht uit, ook al gaat hij met de verdediging van de andere zijde gepaard.

Noyon in den vorigen druk nam in overeenstemming met een veel verbreide meening aan, dat het gebruik van wapens in strikten an tot de kenmerken van tweegevecht zou behooren. Gevecht met knuppels of vuisten zou hierdoor zijn uitgesloten. Dat deze meeninir historisch onjuist is staat thans wel vast en er is dan ook geen reden om af te wijken van de meening van de Commissie van Rapporteurs, die ook een vuistgevecht onder tweegevecht begrepen achtte. Dat men in zulk een geval niet van „duel" zal spreken kan aan Noyon worden toegegeven, maar bewijst aReen dat dit laatste woord een iets engere beteekenis heeft dan „tweegevecht"»).

Voorts is een vereischte dat met gelijke wapenen gevochten wordt.

) Polenaar en Heemskerk aimteekening 1 op den titel. VgL H. F de Koek. Het duel, aeademiseh proefschrift, Leiden 1876, bladz. 58. Dat de „attaqueaanval met sommatie aan de tegenpartij om zich te verweren, een dneL al is hel een onregelmattg zou z«n, schijnt mij onjuist. Wie eenvoudig om zich zelf te verdedtgen vechten moet, handelt in elk geval in noodweer; zie ook aanteekemn s M ^ ^ ^ ^ ^ fc ' ^

e kander ontmoetende een gevecht beginnen. Of hier duel is zal wel daarvan afhangen of er een overeenkomst is, of er uitgedaagd wordt; zoo niet, dan is er een vechtpartij.

2) Aldus ook Stokvis, Tweegevecht, Tijdschrift voor strafrecht XL, blz. 120 e.v., ï. n. b., blz. 126.

8) Zie yoor de historische bewijsvoering Stokvis, Lc. blz. 130. Als de tekst ook Domela Nieuwenhuis, T. v. I. XXIX, blz. 465. Als Noyon Simons H, no. 352.

Sluiten