Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ARTIKEL 170, 171.

284

gebouw werd verwezen naar de bestaande jurisprudentie op artikel 437 Code pénal1).

De Commissie van Rapporteurs uit de Tweede Kamer vestigde er de aandacht op dat in dezen zin onder gebouwen niet aRes verstaan kan worden wat niet in de vorige artikelen is genoemd; zij wees op stellaadjes en dergelijke en stelde vóór te lezen: gebouw of getimmerte. Zóó werd het artikel aangevuld. Men zal nu bij gebouw wel niet uitsluitend aan iets dat gebouwd is, bij getimmerte niet aReen aan datgene wat van hout nagelvast is ppgetrokken, moeten denken. Het kan voor de bepaRng van de begrippen niet afdoen of er juist van steen en kalk gemetseld, van hout met spijkers ineengezet is; bij getimmerte in het bijzonder zal ook moeten gedacht worden aan een kraam, een tribune van balken of binten met touwen aan elkander gebonden.

Aan de andere zijde is alles wat gebouwd en getimmerd is hiermede bedoeld, onverscbiRig of het juist tot bewoning of berging bestemd is. Een fabrieksschoorsteen, een open tent, een afdak (als op sommige stationsterreinen gevonden wordt) valt onder het bereik van het artikel.

3. Het opzet behoeft slechts op het vernielen of beschadigen gericht te zijn; dat het vernielde een gebouw of getimmerte is, komt blijkens de plaatsing van het woord „opzettelijk" alleen als materieel element van het misdrijf in aanmerking.

4. Zie voorts de aanteekeningen S—13 op artikel 157.

5. Voor de bijkomende straf zie artikel 176.

Artikel 171.

CL

Hij aan wiens schuld de vernieling of beschuldiging van eenig gebouw of getimmerte te wijten is, wordt gestraft:

1°. met gevangenisstraf of hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden, indien daardoor gemeen gevaar voor goederen ontstaat;

!) Onder gebouwen vallen zoowel geringe als groote, zoo een vaste stookhut, Hooge Raad 15 April 1843, W*. 482; daarentegen zijn losse getimmerten, als kramen, geen gebouwen, Hooge Raad 14 Mei 1856, W. 1873; een gedeeltelijk vernielde woning kan nog als een gebouw worden beschouwd, Gerechtshof Friesland 19 Juli 1843, W*. 417; hetgeen vast in een gebouw is, als een schoorsteenmantel, is te beschouwen als integreerend deel daarvan, Hooge Raad 26 November 1838, van den Honert, Strafrech: I, 5, Nederl. Rechtspraak I, § 5, 15.

Sluiten