Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

349

ARTIKEL 186.

het woord in den zin, geeft op zich zelf aanleiding tot bedenking. Het is geplaatst geheel vooraan in de omschrijving, beheerscht dus al wat in die omschrijving volgt, zoodat de dader moet geweten hebben dat er een volksoploop was (op zich zelf van minder bezwaar omdat dit wel onmiskenbaar is), dat er bevel tot uiteengaan is gegeven en wel driemaal, en dat dit bevel kwam van het bevoegde gezag; de dader moet zelfs aan den volksoploop als zoodanig hebben deelgenomen. Aan deze consequentie is niet te ontkomen, al brengt zij mede dat de toepassing van het artikel er grootelijks door wordt verlamd *).

Men heeft gewild dat er bepaaldelijk ongehoorzaamheid aan een bevel zou zijn, dat het niet vernemen van het bevel dus de strafbaarheid zou opheffen; men heeft een driemaal gedaan bevel geëischt, voorzeker opdat niet reeds een enkel, in het rumoer misschien verloren gaand bevel voldoende voorwaarde voor strafbaarheid zou zijn; maar dan had de wetgever aan het driemaal gedane bevel ook het wettelijke vermoeden kunnen verbinden dat het nu wel tot iederen belanghebbende zou zijn doorgedrongen; zooals de wet thans luidt kan zelfs gevorderd worden dat de dader weet dat het laatstgegeven bevel het derde was.

3. Het misdrijf kan alleen gepleegd worden bij gelegenheid van een volksoploop; dit moet betekenen: in een volksoploop. Het bevel gegeven ter plaatse waar geen volksoploop is in verband met een oploop die elders plaats vindt heeft geen zin en geen rechtsgrond.

„Volksoploop", zoo schreef Noyon in den vorigen druk, „bestaat „niet bij elke verzameling van een menigte personen, maar wordt „gevormd door een de openbare orde verstorende massa. Daartoe „is echter weder niet noodig dat elk die deel van de menigte uit„maakt de bedoeling heeft de orde te verstoren; het vermeerderen „van de massa welke de orde verstoort is reeds op zich zelf het „deelnemen aan den oploop; het zich er bij voegen is reeds opzettelijk zich bij den oploop aansluiten."

*) Polenaar en Heemskerk, aanteekening 3, betoogen dat men al de bijkomende omstandigheden mag objectiveeren; maar waar blijft dan de beteekenis der plaatsing van het woord opzettelijk? Hun poging om de Commissie van Rapporteurs uit de Tweede Kamer in haar woorden: „Er kan geen sprake wezen „van opzet, wanneer degeen die zich na het bevel niet verwijdert, dat bevel niet „heeft gehoord", het tegendeel te laten zeggen van hetgeen zij beteekenen, schijnt mq ook uiterst zwak.

De Hooge Raad besliste bij arrest van 18 Februari 1924, w". 11187, N. J. 1924, 540, dat het opzet gericht moet zijn op bet zich niet verwijderen na het derde bevel.

Sluiten