Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

357

ARTIKEL 188.

Het komt mij vóór dat deze tegenstelling te scherp is gemaakt. De wet heeft voor het misdrijf van artikel 268 den eisch gesteld dat de aangifte of klacht schriftelijk is gedaan of de dader ze in schrift heeft doen brengen. Maar het geval is ook denkbaar dat iemand mondeling mededeehng doet dat een ander een misdrijf gepleegd heeft, zonder dat hij gezegd kan worden zijn aangifte in schrift te hebben doen brengen. Dit onderstelt de wet door in artikel 268 bepaaldelijk van het in schrift doen brengén te spreken. Dit laatste bestaat dus alleen bij een bepaalde medewerking tot het in schrift doen brengen of het uitlokken van het in schrift brengen.

Nu kan toch niet worden aangenomen dat, terwijl mondelinge aangifte zonder het noemen van een dader en schriftelijke aangifte tegen een dader (daaronder het in schrift doen brengen begrepen) strafbaar zijn, het tusschenhggende, mondehnge aangifte tegen een bepaalde persoon, straffeloos blijft.

Dit zou alleen onvermijdelijk zijn indien de wet er bepaaldelijk toe dwong, maar dat doet zij niet.

De woorden van artikel 188 zijn zóó algemeen dat het genoemde geval er onder gebracht kan worden; en van een beperkt oogmerk gewaagt wel de memorie van toelichting, niet de wet.

Trouwens, de onware aangifte tegen een bepaalde persoon mag een beleedigend karakter hebben, zij houdt toch ook altijd een belemmering van de justitie in.

Erkent de wet nu de in de lasterlijke aanklacht gelegen beleediging alleen wanneer zij schriftelijk is gedaan, dan moet de mondelinge aanwijzing van een schuldige onder artikel 188 vallen.

Het misdrijf van artikel 268, daargelaten dat dit niet uitsluitend een strafbaar feit behoeft te betreffen, is niet een species van dat van artikel 188, waarop het tweede lid van artikel 55 toepasselijk zou zijn; beide misdrijven staan zelfstandig naast elkander. Het oogmerk tot misleiding van de justitie, in de memorie van toehchting als element van het misdrijf opgegeven, is dan ook niet vereischt*).

Beide znn aanwezig in het geval, beslist door de Rechtbank te Arnhem2), waarin aanvankelijk aReen mededeeling van het feit was gedaan, en vervolgens aanwijzing van de persoon. Volgens artikel 269 was de vervolging van deze laatste, uitmakende de

1) Hooge Raad 28 Maart 1892, W. 6167; vgl. W. 6125; 10 December 1917, W. 10214, N. J. 1918, 66. - Zie ook G. J. IJssel de Schepper, Eenige opmerkingen naar aanleiding van artikel 188 Wetboek van strafrecht, academisch proefschrift, Utrecht 1895, bladz. 25 e.v. en Simons II, no. 781.

2) Vonnis van 22 November 1887, Tijdschrift voor strafrecht V, bladz. 504.

Sluiten