Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ARTIKEL 191.

368

Het is ook niet zonder beteekenis dat hier gesproken wordt van behulpzaam zijn bij, en niet tot de zelfbevrijding; daaruit volgt dat er een daad van zelfbevrijding moet zijn. Bestaat er een afspraak dat de gevangene zal trachten zich te bevrijden en een ander met een vaartuig aanwezig zal zijn om het ontkomen over een ringgracht mogelijk te maken, dan is er geen behulpzaam zijn ingeval de gevangene er niet in slaagt het vaartuig te bereiken; evenmin wanneer de hulp bestaat in het openen van een uitgang die door den gevangene echter om de een of andere reden niet bereikt kan worden.

De genoemde handelingen kunnen ook niet als poging tot behulpzaam zijn beschouwd worden; die poging is er alleen wanneer «e zelfbevrijding gelukt zonder de hulp en deze tengevolge van omstandigheden, van des helpers wil onafhankelijk, het met haar beoogde effect mist.

Echter kan hulp bij een poging tot zelAevrijding strafbaar zijn wegens de bepaling yan artikel 78.

De zelfbevrijding is voltooid zoodra de gevangene ontkomt aan het toezicht waaronder hij staat, geraakt buiten het gebouw waarin hij; is opgesloten (eventueel met de afgesloten aanhoorigheid). Wanneer hij dus het gereed hggende vaartuig heeft bereikt, heeft hij zich zelf bevrijd, al wordt hij daarna weder gegrepen, en dan heeft ook de hulp haar beslag gekregen.

2. Met opzet heeft blijkens de memorie van toehchting de wetgever zelfbevrijding van den gevangene als dehctum sui generis niet strafbaar gesteld, ook niet indien zij met geweld of braak gepaard gaat, onverminderd echter de strafbaarheid wegens de aanwending van middelen tot zelfbevrijding op zich zelf.

Past men het beginsel toe op de deelnenüng van den gevangene aan hetgeen door anderen tot zijn bevrijding in het werk wordt gesteld, dus aan het bij dit artikel strafbaar gestelde bevrijden, dan moet te zijnen aanzien onderscheid worden gemaakt. Die deelneming is aUeen dan niet strafbaar wanneer zij feitelijk een zelfbevrijding wordt, dus in geval van actieve deelneming aan het bevrijdingswerk hetzij als dader hetzij als medephchtige, niet wanneer zij den vorm van intellectueel daderschap aanneemt1).

1) Vgl. F. Wolfson, Bevrijding van gevangenen, academisch proefschrift, Leiden 1892, bladz. 78 en volg., waar een overzicht gegeven wordt van de jurisprudentie en literatuur in Duitschland over deze vraag. Bij Simons Leerboek I no. 212, wordt afgeweken van de in den eersten druk gegeven opvatting, omdat het de bedoeling niet geweest kan zijn, nu de hoofdhandeling niet strafbaar is, hem die deze straffeloos kan verrichten toch als deelnemer weder onder de strafwet te brengen. Maar wat hij hoofdhandeling noemt ligt buiten bet begrip

Sluiten