Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

483

ARTIKEL 236.

men ook werkelijk een kind voor het aangegeven doet doorgaan, kan geen verduistering van staat zijn; waar geen afstamming is kan geen afstamming onzeker worden; hier is dus uitsluitend valschheid.

3. De vervolging wegens verduistering van staat is naar de bepaling van artikel 323 Burgerlijk wetboek afhankelijk van het bestaan van een hetzij slechts aangevangen hetzij ten einde gebracht civiel geding betreffende die verduistering1). De schorsing van de strafvervolging (zie artikel 73, aanteekening 2) geldt echter aUeen wanneer het gepleegde feit niets anders is dan een verduistering van staat, en er geen ideëele samenloop met een ander misdrijf bestaat. In het bijzonder wordt in de memorie van toehchting van een samenloop met valschheid in geschrift gezegd dat artikel 323 ook wegens de onschendbaarheid der registers van den burgerlijken stand de rechtsvordering te dier zake tot toepassing van de strafbepalingen van artikel 225 en volgende niet beheerschen mag. En terecht; moge iemands staat als betreffende zijn bijzonder belang slechte in de eerste plaats den belanghebbenden tot voorziening aanleiding kunnen geven en de publieke actie aan de private daarom ondergeschikt zijn, wanneer tevens een ander misdrijf gepleegd is behoort de vervolging deswege, die op zich zelf den staat onaangetast laat, niet belemmerd te zijn.

Bij een arrest van 28 Mei 18882) schijnt de Hooge Raad een ander gevoelen te hebben uitgesproken. Dit arrest betreft het doen opmaken van een valsche geboorteacte, gevolgd op onderschuiving van een kind. De Hooge Raad beslist dat deze feiten zoozeer met elkander in verband staan dat de valschheid niet bewezen kan worden zonder dat tegelijk beslist wordt dat er verduistering van staat is gepleegd. De beslissing wordt wel beperkt tot het concrete geval, maar ik zie niet in dat het geval zich anders kan voordoen en dat de memorie van toelichting het zich anders heeft voorgesteld. In concrete nu acht ik de beslissing minder juist omdat zeer goed over de valschheid afzonderlijk beslist kon wordendaartoe was aReen noodig het bewijs dat de voorgewende moeder met bevaRen was, zonder dat men zich in de vraag of er een onderschuiving geschied was behoefde te verdiepen; de mogelijkheid van nadeel bij de valschheid hangt ook niet uitsluitend af van het

besifaattt! TOm,i8 l8 n°0,Ug; 31200 ^ *** d°°r den hechter «orden beslist dat er begin van bewijs door geschrift aanwezig is en kon (onder het onde

hLl«d gee° r,echt8*ngang WOrden verleend ™«1>Ü ^ beslissing omtrent het Arnhem rr^to^ ">u ™eten gegeven worden; Gerechtshof

Arnhem 5 Juni 1917, N. J. 1917, 683 2) W*. 5564.

Sluiten