Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ARTIKEL 239.

490

zij een bepaalde beteekenis had erlangd, ook omdat in haar het karakter der openbaarheid zoo ruim mogelijk is uitgedrukt.

Bij de behandeling van artikel 131 werd de zeer algemeene beteekenis van openbaar in artikel 239 tegenover de meer beperkte die het elders mag hebben door den Minister van justitie zeer op den voorgrond gesteld, en in het bijzonder werd door hem betoogd dat „schennis der eerbaarheid in het openbaar" een onjuiste uitdrukking zou zijn. Zelfs hij die voor zijn venster, waardoor alleen de buren een blik kunnen werpen, ontuchtige handelingen pleegt zou onder artikel 239 kunnen vallen, ook wanneer hij niet gezien wenscht te worden en meent niet gezien te worden zoodat hij aUerminst het oogmerk had iemand aanstoot te geven. Alleen wanneer een ander den aanstoot dien hij lijdt aan eigen nieuwsgierigheid of onbescheidenheid te wijten heeft zal van openbare schennis van de eerbaarheid niet gesproken kunnen worden1).

De Minister gevoelde trouwens dat hij met deze uitbreiding van het begrip van openbaarheid aan de beteekenis van het woord wel eenig geweld aandeed. Zelf opperde hij toch den twijfel of niet een andere dan de gekozen uitdrukking had moeten gebezigd worden. En dien twijfel trachtte hij op te heffen door een beroep op het „verba valent usu" en de opmerking dat het woord in het wetboek tal van beteekenissen heeft.

Maar hoeveel beteekenissen het woord openbaar hebben mag, het kan toch nimmer beteekenen: niet openbaar; is er nu een zeer beperkte waarneembaarheid, kunnen aUeen de buren iets waarnemen, dan is het toch inderdaad een begrip geheel uiteenrukken, hierin openbaarheid te willen zien *). Ook een briefkaart' is niet openbaar, al kunnen anderen van haar inhoud kennis nemen.

En die uitbreiding van het begrip is inderdaad ook niet het stelsel geweest van den ontwerper van de wet. Deze verdedigde in de memorie van toehchting het behoud van de gebruikelijke omschrijving van het misdrijf niet met een beroep op een zoo ruime uitzetting van de grenzen, maar met een negensteUing tusschen openbaar en in het openbaar, het laatste zooveel beperkter dan het eerste omdat het een plaatsbepaling is. Niet de plaats, maar de waarneembaarheid van het feit moet beslissen 8); doch daarmede

x) Smidt II, blz. 9 (eerste en tweede drnk).

2) Onjuist schijnt mij daarom het vonnis der Rechtbank te 's Hertogenbosch van 6 December 1904, P. v. J. 525, waarbij openbaarheid is aangenomen bij toegankelijkheid van de plaats voor de bewoners van naburige huizen.

3) Zóó Hooge Raad 12 Mei 1902, W. 7768: openbaar is wat op een openbare plaats geschiedt of van een openbare plaats zichtbaar is.

Voldoende is dat het feit op een openbare plaats is gepleegd, Hooge Raad 28 Mei 1906, W. 8385. Een plaats is ook dan openbaar wanneer zij feitelijk voor

Sluiten