Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

artikel 2406ïs, 240ter.

506

1. Dit nieuwe artikel stelt strafbaar een misdrijf dat in de eerste plaats gericht is tegen bepaalde personen, het beschermt de jeugd tegen onmiddellijke aanranding; een aanbod in het algemeen, niet bepaaldehjk aan de jeugd gedaan, valt onder de artikelen 451bü en ter.

Onverschillig is het of hij aan wien wordt aangeboden of afgestaan het initiatief daartoe heeft genomen, anders weder dan in de artikelen 451ter en quater, waarbij het aanbieden alleen strafbaar gesteld wordt indien het ongevraagd is.

Onverschillig is ook of het middel tot voorkoming of dat tot verstoring van zwangerschap aan een knaap of een meisje, te eigen gebruike of ten gebruike van een ander (dit wellicht een weinig buiten de bedoehng), en al of niet in verband met bepaalde gevallen, waarin zwangerschap wordt gevreesd of vermoed, wordt aangeboden; het artikel is zoo algemeen gesteld dat elke dezer onderscheidingen buiten de wet is.

2. Voor strafbaarheid volgens hd 1 is vereischt dat den dader het middel enz. bekend is. Nu kan eenig voorwerp aan iemand bekend zijn in zooverre als hij het meer gezien heeft, dus naar den uiterhjken vorm, ook zonder dat hij weet tot welke doeleinden het kan worden aangewend of bestemd is; voor toepassing van het artikel zal zulk een beperkte bekendheid niet voldoende zijn, maar moet vaststaan dat de dader weet dat het voorwerp is een middel tot voorkoming of tot verstoring van zwangerschap.

3. Over het redelijkerwijs moeten vermoeden zie aanteekening 3 op artikel 248bis, over voorkoming van zwangerschap aanteekening 2 op artikel 451ter.

4. Door de wet van 18 Juli 1936, Stbl. no. 203 zijn in het artikel overeenkomstige wijzigingen gebracht als in artikel 240 door de wetten van 13 Mei 1927, Stbl. no. 156 en 19 Juli 1934, Stbl. no. 405. Men vergelijke aanteekening 13 bij laatstgenoemd artikel.

Over het verschil van de strafbaarheidsvereischten „redelijkerwijs moeten vermoeden" in het eerste en „ernstige reden hebben om te vermoeden" in het derde hd zet de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer betreffende het ontwerp dat de wet van 18 Juli 1936 is geworden uiteen, dat laatstgenoemd vereischte zwaarder en van meer objectieven aard is (Wetgevingsbijlagen N.J.B. no. 138, blz. 24.

Artikel 240fer.

Indien de schuldige een der in de artikelen 240 en 240&Ü omschreven misdrijven in zijn beroep begaat en er tijdens het plegen

Sluiten