Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

513

ARTIKEL 242.

vereeniging van een man en een vrouw, de daad welke in het algemeen bevruchting ten gevolge kan hebben *).

Daarbij wordt voor de vereischten van het misdrijf of voor de mate der straf onderscheid gemaakt naar gelang van den leeftijd der vrouwen. Dat onderscheid, bijv. tusschen het meisje beneden twaalf jaar en de vrouw tusschen twaalf en zestien jaar, zou geen zin hebben indien ook enkele uitwendige aanraking der geslachtsdeelen onder artikel 244 en 245 kon vallen; het onderscheid berust toch op het verschU in fysieken toestand, dat alleen voor den coitus eenig belang heeft.

Uit dit oogpunt de zaak beschouwende zou ik als minimum vereischte voor de vleeschelijke gemeenschap willen stellen het indringen van het mannehjke geslachtsdeel in het vrouwelijke, omdat eerst dit wegens wanverhouding tusschen de respectieve deelen aan jeugdige meisjes laesie kan toebrengen, terwijl een uitstorting van sperma niet noodig is omdat deze, ofschoon voor de bevruchting noodzakelijk, het kriterium niet kan zijn als bij jeugdige, onontwikkelde meisjes niet daartoe leidende.

Bij de toehchting van de wet is overigens niet uitdrukkelijk rekenschap van het onderscheid tusschen de drie uitdrukkingen gegeven, maar toen bij de behandeling van artikel 250 in de Tweede Kamer gevraagd werd waarom daar van ontucht, elders van ontuchtige handelingen gesproken werd, verklaarde de Minister van justitie dit onderscheid aan te nemen: ontucht is nomen generis dat als soorten zoowel de vleeschelijke gemeenschap als de ontuchtige handelingen omvat2).

Deze opvatting is, dunkt mij, niet volkomen juist. Vleeschelijke

*) Hooge Raad 5 Februari 1912, W. 9292. Noyon achtte daarom onjuist de meening van het Gerechtshof te Leeuwarden, arrest van 28 Januari 1925, w". 11356, dat voor vleeschelijke gemeenschap niet noodig is uitstorting van zaad in het vrouwelijk geslachtsdeel. Mij schijnt de opvatting van het Hof niet in strijd met de beslissing van den Hoogen Raad, mits men de noodige beteekenis toekent aan „in het algemeen" en het meest in overeenstemming met de ratio der voorschriften, waarin van vleeschelijke gemeenschap sprake is, welke bepalingen vooreerst niet in de eerste plaats op het voorkomen van bevruchting zijn gericht, terwijl bovendien de andere opvatting een te grooten invloed toekent aan een omstandigheid die de dader slechts zeer betrekkelijk in zijn macht heeft. Juist omdat het hier niet op de bevruchting aankomt is ten deze van geen belang het in een vaderschapszaak gewezen arrest van 17 Februari 1927, W". 11645, N. J. 1927, 393. Dat twee mannen niet vleeschelijke gemeenschap met elkander kunnen hebben ligt in de beteekenis van het woord en volgt voor onze wet hieruit dat vleeschelijke gemeenschap steeds met een vrouw in verband wordt gebracht; in artikel 247, zoo als het later door den Minister is geredigeerd, komt dit . niet duidelijk uit.

2) Smidt II, eerste drnk 316, tweede drnk 333. Zie ook Hooge Raad 2 Maart 1896, W. 6777.

Sluiten