Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ARTIKEL 242.

516

tegen anderen niet is uitgesloten, dan is er ook voor dit artikel geen reden van uitsluiting. De Minister van justitie scheen van een ander gevoelen te zijn. De bedreiging met geweld tegen een ander zou naar zijn meening niet licht dwang opleveren. En verklaarde de vrouw zich bereid om door het toelaten van gemeenschap het dreigende geweld van een ander af te keeren, dan zou zij toch niet verphcht zijn de gegeven belofte te houden en de dader zou ten slotte toch tot geweld tegen haar zelf moeten overgaan *).

De Minister schijnt zich hier alleen het geval voor te stellen dat tusschen de bedreiging en het toegeven van de vrouw een zekere tijd verloopt, en het laatste het vervullen is van een belofte. Maar hoe dan wanneer het eene terstond op het andere volgt en het dulden van de gemeenschap plaats vindt onder den onmiddelhjken indruk van de bedreiging? Dan is er van een zich bezinnen en het houden van een belofte geen sprake. En daarenboven: is de vrouw dan wel gehouden aan een belofte die zij aflegde opdat het geweld van haar zelf zou worden afgekeerd?

Hetzelfde geldt van het geweld dat als middel van moreelen dwang wordt gebezigd; fysiek dwingen kan uit zijn aard alleen de persoon betreffen met wie de dader de gemeenschap wil hebben.

6. Het misdrijf wordt gepleegd tegen een vrouw, d. i. tegen een vrouwelijke persoon die den leeftijd van twaalf jaren bereikt heeft; beneden dien leeftijd wordt zij door de wet een meisje genoemd, vgl. dit artikel en de artikelen 234 en 245 met 244s).

Ten aanzien van de straf maakt dit geen onderscheid daar vleeschehjke gemeenschap met een meisje even zwaar wordt gestraft als verkrachting. Er zou alleen een vraag van qualificatie kunnen opkomen; uit het onderlinge verband der aangehaalde artikelen moet echter worden afgeleid dat de wetgever bij kinderen van minder dan twaalf jaren geen tegenweer onderstelt en daarom in het plegen van geweld niet afzonderlijk voorziet, en ook den staat van bewusteloosheid of onmacht (artikel 243) als element van het misdrijf van artikel 244 verwaarloost.

Het feit wordt dan ook gelijkgesteld met verpachting omdat toestemming van een kind niets afdoet, gelijk de Minister van justitie in het regeeringsantwoord op het verslag der Tweede Kamer deed opmerken3); het wordt dus nooit in verkrachting opgelost.

*) Smidt JJ, eerste druk 292, tweede druk 307. Als de Minister Simons II, no. 508.

-) Anders, met verwerping van dit laatste argument: Hooge Raad, 14 Maart 1938, W. en N. J. 1938 no. 956.

3) Smidt II, eerste druk 299, tweede druk 309.

Sluiten