Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

15

TITEL XVl.

door, zij het ook in verband met zijn ambt gebezigde, minachtende uitdrukkingen betreffende het onderwerp van zijn onderwijs *).

In artikel 261 is nevens de aanranding van iemands eer nog die van den goeden naam vermeld.

Wat met deze verbinding van begrippen bedoeld is wordt niet uitdrukkelijk gezegd; naar spraakgebruik zal met goede naam bedoeld zijn het algemeen verbreide gunstige oordeel over iemand uit zedelijk oogpunt, met eer zijn uit dat oordeel voortvloeiende aanspraak op de behandeling als een waardig lid der samenleving. De eer kan echter ook rechtstreeks worden aangetast zonder aantasting van den goeden naam, bij voorbeeld door een klap in het gezicht; aantasting van den goeden naam daarentegen zal altijd op de eer terugslaan.

Alleen die beleedigingen die iemand ten overstaan van anderen worden aangedaan kunnen zijn goeden naam nevens zijn eer aanranden; valt de handeling tusschen beleediger en beleedigde voor dan is er slechts sprake van aanranding van het eergevoel').

De aanranding van het eene of het andere is het kenmerk van elke beleediging; er wordt in artikel 266 gesproken van elke beleediging die niet het karakter draagt van smaad of smaadschrift, het onderscheid is in de eerste plaats te zoeken in den inhoud der beleediging (in artikel 261' telastlegging van een bepaald feit, in artikel 266 beleediging op elke andere wijze), in de tweede plaats in het in artikel 266 niet vereischte doel om ruchtbaarheid te geven, maar geenszins in het object der krenking zelf.

Smaad is een species van het genus beleediging, die bij gemis van een der bijzondere kenmerken eenvoudige beleediging wordt.

De keuze van de woorden „eer of goede naam" is in zooverre onjuist als zij aanleiding zou kunnen geven tot de opvatting dat hem die geen eergevoel heeft of in een slechten naam staat geen beleediging kan worden aangedaan. Eergevoel heeft trouwens ieder wel in zekere mate; overigens is telastlegging van onware dingen voor ieder, wien dan ook, een aantasting van dat gevoel; maar ook daarbuiten verbiedt de strafwet de telastlegging zelfs van ware feiten of van werkelijk bestaande ondeugden. Dit blijkt uit de tegenstelling van smaad en beleediging met laster; bij deze onwaarheid van de telastlegging, bij gene geen onderscheid tusschen waarheid en onwaarheid dan voor de rechtvaardiging door het motief.

1) Arrest van 24 Februari 1902, W. 7730; vgl. W. 7681.

*) Ten onrechte m. i. identificeert Simons II, no. 376, eergevoel met eer. Het eerste wordt niet beschermd waar het afwijkt van de algemeene opvattingen in een bepaalden kring, de laatste wordt beschermd ook waar het eerste ontbreekt.

Sluiten