Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

artikel 328bis.

228

scoop-theaters, verzekeringsmaatschappijen, de practijk leverde het voorbeeld op van een rechtskundige adviseur *).

7. Eindelijk moet uit de handeling nadeel voor concurrenten kunnen ontstaan. Hiermede is naar de gewone bepalingen omtrent bedrog in den handel verwezen elke handeling die op bedrog van de afnemers is aangelegd zonder concurrenten te raken, in de eerste plaats alzoo die welke betreffen het debiet van waren die niet het voorwerp zijn van den handel van een ander of van dengene te wiens behoeve gehandeld wordt.

De uitdrukking is wel zeer ruim, vooral nu niet geëischt wordt dat het nadeel aan bepaaldelijk aan te wijzen concurrenten berokkend kan worden, maar dit mag toch niet leiden tot de gevolgtrekking dat elke bedriegelijke handeling ten aanzien van koopwaar of bedrijfsartikel onder de strafbepaling valt, omdat wel in elke waar door meer personen handel gedreven, elk bedrijf door meer dan één uitgeoefend wordt. Gesteld dat een artikel op een bepaalde plaats slechts door één handelaar verkocht wordt, dan kan eenige handeling van dezen toch niet gezegd worden ten nadeele van concurrenten te zijn, wat wel het geval is wanneer de waren van onderscheidene handelaren in dezelfde omgeving afzet vinden. Moet de handeling in raimeren kring werken dan is het wederom anders.

Als mogelijkheid van nadeel zal dan ook slechts mogen worden aangemerkt de mogelijkheid van benadeeling van een concurrent in zijn debiet. Benadeeling van anderen aard schijnt mij toe niet in aanmerking te komen, bepaaldelijk niet het bij artikel 225 voldoende geachte moreele nadeel voor zoover het niet op het debiet kan terugwerken.

8. De plaatsing van het artikel in den titel van Bedrog heeft ten gevolge dat op het misdrijf toepasselijk zijn de bepalingen van de artikelen 338 en 339.

De eigenaardige constructie van het misdrijf, waarop ik reeds bij aanteekening 1 de aandacht vestigde, geeft nu aanleiding tot het stellen van de vraag in hoeverre krachtens artikel 338 artikel 316 kan worden toegepast,

Vermits niet noodig is dat iemand werkelijk misleid is door de bedriegelijke handeling, kan het feit dat dit wel gebeurd is hem niet maken tot dengene tegen wien het misdrijf is gepleegd.

Maar de ontvankelijkheid van de strafvordering kan ook niet worden opgeheven indien een concurrent blijkt tot den dader te

») Hooge Raad 25 Januari 1937, W. en N. J. 1937, no. 726.

Sluiten