Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

243

ARTIKEL 333.

plegen, den diefstal zelf echter niet strafte en daarom ten onrechte onder de bepalingen tegen diefstal geplaatst was, terwijl het ongestraft liet de onrechtmatige handeling aan grensteekenen gepleegd met het oogmerk om zich het bezit van den grond te verzekeren, een oogmerk dat zeker eerder voorkomt dan dat om te stelen.

Thans is in het algemeen genoemd het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordeelen; zie daarover aanteekening 1 op artikel 317. Het ontwerp kende ook als misdrijf dezelfde daad, gepleegd tot verzekering van eigen werkelijk of vermeend recht of tot storing van een ander in diens werkelijk of vermeend recht. Bij het daarop betrekking hebbende artikel 165 *) werd deels strafbaar gesteld een bijzondere daad van eigen richting, deels een daad die niet op onrechtmatig voordeel voor den dader maar op storing van de uitoefening van eens anders recht aangelegd was. Het artikel werd geschrapt omdat men eigen richting als zoodanig met volkomen stilzwijgen wenschte voorbij te gaan; zie deel I, Inleiding, bladz. 12, aanteekening 4. De schrapping heeft nn echter ten gevolge dat ook de onrechtmatige storing van eens anders recht zonder oogmerk tot eigen bevoordeeling of die van een ander niet meer strafbaar is.

2. Over vernielen, onbruikbaar maken, zie aanteekening 5 op artikel 161. Beschadigen is volgens dit artikel alleen strafbaar wanneer het tevens onbruikbaar maken is, bijv. door het afslaan van den kop of de zijde van een grenssteen waarop zijn beteekenis te lezen staat.

Verplaatsen is de handeling ten gevolge waarvan een andere dan de ware grens wordt aangewezen, verwijdering de verplaatsing ten gevolge waarvan de grens niet meer aangewezen wordt.

3. Het object van het misdrijf is hetgeen dient tot afbakening van de grenzen van erven. Daartoe behoort alles wat door de gerechtigden tot die afbakening bestemd is of door hen feitelijk er toe gebezigd wordt: schuttingen, heggen, hekken, steenen, palen; ook slooten en greppels. Op deze laatste kan echter geen der handelingen die het misdrijf uitmaken gepleegd worden. Men kan deze immers slechts wegmaken, doen verdwijnen door ze te dempen of de wallen zoo af te graven dat zij niet meer te onderscheiden zijn, maar zij zijn niet vatbaar voor vernieling, verplaatsing, verwijdering (ook een verplaatsing) of onbruikbaarmaking, dit laatste niet omdat zoolang een sloot een sloot, een greppel een greppel

*) Zie Smidt II, eerste druk 538, tweede druk 571.

Sluiten