Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ARTIKEL 337.

254

vervaardigen die algemeen verkrijgbaar zijn gesteld en alzoo behooren tot het publieke domein, gemeen goed zijn, dat mitsdien dit portret niet kan worden aangewend tot onderscheiding van de waar van één koopman of fabrikant van die van anderen.

Het komt mij vóór dat de praemissen hier de conclusie geenszins wettigen. Waar sluit de wet van het begrip van merk uit een algemeen verkrijgbare afbeelding? Kan dan de afbeelding van de beurs van Amsterdam, het standbeeld van de Ruyter of zoo menige andere die in den handel is, als merk gewraakt worden? En waaruit volgt dat een bekende afbeelding, wanneer iemand die tot zijn handels- of f abrieks-merk maakt, niet dienstig zou kunnen zijn om zijn waar te onderscheiden van die van anderen?

De vlugheid of handigheid van hem (zegt de Rechtbank verder) die het eerst een bepaald portret van de Koningin machtig weet te worden en te doen inschrijven, zou in ontdrijfelbaren strijd zijn met de bedoeling en den wil waaruit artikel 3 der Merkenwet is voortgekomen uitsluitend aan die persoon het recht van debiet van de waar onder bescherming van dat portret verzekeren, wat op zich «elf al niet aannemehjk sou zijn naar de wet.

Dat wie het eerst het merk gebruikt of laat inschrijven daarop uitsluitend recht heeft, volgt uit de wet maar is niet met haar in strijd. En uit niets volgt dat hetgeen in het algemeen als publiek domein (zooals de Rechtbank zich uitdrukt) beschouwd moet worden niet voor een bepaald gebruik zou mogen worden gemonopoHseerd; de bepalingen der Merkenwet zijn juist daarop gegrond.

In verband met de beslissing van den Hoogen Raad1) dat inschrijving van een merk voor verpakkingsmiddelen toegelaten ia kan zich een complicatie voordoen wanneer het merk voor het verpakkingsmiddel hetzelfde is als dat voor de waar waarvoor het gebruikt wordt. De fabrikant der waar levert voor het debiet daarvan flesschen met een merk gelijk aan dat hetwelk hij voor zijn eigenlijk fabrikaat gebruikt; dan zal vervanging van den inhoud door het fabrikaat van een ander nimmer strafbaarheid wegens het gebruiken van eens anders merk opleveren, omdat dé verdachte altijd kan beweren dat het merk door hem niet gebezigd is tot aanduiding van de herkomst van de waar, maar alleen van die van het verpakkingsmiddeL

6. De wet verbiedt nevens het gebruiken ook het nabootsen van eens anders naam, firma of merk, zij het ook met een geringe afwijking. De laatste woorden zijn eigenlijk overtollig: wanneer gebruiken en nabootsen tegenover elkander gesteld worden kan

») Arrest van 9 Juni 1911, W. 9220.

Sluiten