Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ARTIKEL 340.

262

aanleiding van de faillietverklaring, niet bevoegd was te beslissen dat zij ten onrechte was uitgesproken.

Na de invoering van de Faillissementswet is echter de leer van den Hoogen Raad een noodzakelijkheid geworden daar men zich bij de faillietverklaring niet meer ophoudt met de vraag of iemand koopman ia.

4. Sommige der hier en in de volgende artikelen strafbaar gestelde feiten kunnen slechts of ook gepleegd worden vóór den aanvang van het faillissement of den gerechtelijken boedelafstand. Die feiten zijn dan alleen strafbaar indien het faillissement of de boedelafstand (in artikel 346 ook de staat van kennelijk onvermogen) gevolgd is.

Deze voorwaarde van strafbaarheid doet de vraag ontstaan of in het algemeen strafbare poging tot die feiten mogelijk is, afgezien daarvan of de constructie van elk misdrijf in het bijzonder ze bij dat misdrijf toelaat. Die vraag moet m.i. bevestigend beantwoord worden. Het volgen van het faillissement, den boedelafstand of het kennelijk onvermogen heeft op zich zeM met de voltooiing van het misdrijf niet te maken *); immers de gepleegde handeling is indien het faillissement enz. niet volgt niet als poging, maar in het geheel niet strafbaar, ofschoon zij voltooid is. Men heeft dus alleen te maken met hetgeen de persoon doet en daarnaar te beoordeelen of er — gegeven het volgen van het faillissement — een strafbaar feit zal zijn. Nu kan even goed de poging tot het feit als het voltooide feit door het uitspreken van het faillissement of het kennelijk onvermogen of de toelating tot den boedelafstand gevolgd worden, en dit een en ander kan dus noch invloed hebben op het begin van uitvoering, noch op de omstandigheden van des daders wil onafhankelijk, die de voltooiing van de uitvoering beletten.

5. Is het openbaar ministerie ontvankelijk in een vervolging wegens bankbreuk reeds voordat het vonnis van faillietverklaring kracht van gewijsde heeft gekregen? Deze vraag werd door de Rechtbank te Almelo bevestigend beantwoord enkel op grond van de woorden der memorie van toelichting, dat de feiten strafbaar zqn zoodra het vonnis van faillietverklaring is uitgesproken 2).

Het komt mij vóór dat bier ten onrechte een beroep op de

*) In gelijken geest besliste ook de Hooge Raad bij de behandeling van de bewering, dat hij die den dader geholpen heeft in het verbergen van goed vóór het faillissement niet als medeplichtige gestraft kan worden omdat het misdrijf eerst gepleegd zou zijn te beginnen met het oogenblik waarop het faillissement is uitgesproken; arrest van 22 Januari 1906, 8329. *) Vonnis van 17 November 1891, W. 6123.

Sluiten