Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

283

ARTIKEL 344.

leiding konden geven *). Deze meening was juist toen het artikel nog alleen strafbaar stelde het onttrekken van eenig goed aan den boedel; het bezwaar betrof ook niet deze handeling maar de bevoordeeling van een schuldeischer.

Er bestaat nu een belangrijke anomalie vermits de wet strenger behoort te zijn voor den schuldenaar die de verhouding der schuldeischers verbreekt dan voor den schuldeischer die voor zijn handeling toch altijd als verschooning kan aanvoeren dat hij het dreigende verlies niet kon lijden, in elk geval het „jus vigilantibus" aan zijn zijde heeft. In dit opzicht is de wijziging van artikel 344 dus onvolledig geweest.

4. Met betrekking tot het aannemen van betaling van een schuld maakt de wet onderscheid tusschen opeischbare en niet opeischbare schulden. Voor strafbaarheid van het aannemen van betaling van een niet opeischbare schuld is nevens de bedriegelijke verkorting van de rechten der schuldeischers slechts noodig het bestaan van gerechtelijken boedelafstand of faillissement of vooruitzicht van het eene of het andere, mits de boedelafstand of het faillissement gevolgd is; met betrekking tot een opeischbare schuld is noodig wetenschap dat het faillissement was aangevraagd of overleg met den schuldenaar.

De tegenstelling tusschen deze beide voorwaarden is hierin gelegen dat bij de eerste het enkele aannemen van het aanbod tot betalen of de toegegeven eisch tot betaling voldoende is, terwijl de tweede onderstelt eene samenspanning tusschen schuldeischer en schuldenaar. Bij de eerste is er dus beperking ten aanzien van den tijd, bij de andere beperking ten aanzien van de wijze waarop de handeling tot stand komt.

5. Over de mogelijkheid van strafbare poging tot de voor het faillissement gepleegde feiten en medeplichtigheid daaraan zie aanteekening 4 op artikel 340.

6. Bij no. 2 wordt strafbaar gesteld het voorwenden van een niet bestaande schuld of het doen gelden van een bestaande tot een verhoogd bedrag; dit laatste moet natuurlijk zijn te kwader trouw, tegen beter weten; anders is niet gehandeld ter bedriegelijke verkorting van de rechten van de schuldeischers.

Het feit wordt gepleegd bij de verificatie van de schuldvorderingen. Dit was volkomen in overeenstemming met de bepalingen van het Wetboek van koophandel betreffende de verificatie welke

*) Smidt III, eerste druk 21, tweede druk 17.

Sluiten