Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ARTIKEL 361, 362.

320

dienen, voor zoover die zich niet onder handen van een ambtenaar enz. bevinden.

3. Ambtenaar, zie aanteekening 9 op artikel 28—31 en artikel 84; openbare dienst, zie aanteekening 4 op artikel 359.

4. Voor de bijkomende straf zie artikel 29.

Artikel 362.

De ambtenaar die eene gift of belofte aanneemt, wetende dat zij hem gedaan wordt ten einde hem te bewegen om, zonder daardoor in strijd met zijn plicht te handelen, in zqne bediening iets te doen of na te laten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

1. Terwijl bij artikel 177 strafbaar wordt gesteld hij die een ambtenaar tracht te bewegen om in strijd met zijn plicht iets te doen of na te laten, wordt de ambtenaar gestraft wegens het aannemen van gift of belofte ook ingeval met het doen daarvan enkel beoogd is het verkrijgen van een verachting die op zich zelf niet in strijd met zqn plicht is.

Degene die de gift of de belofte doet behoeft slechts het oogmerk te hebben om iets te verkrijgen dat in strijd is met den plicht van den ambtenaar, bij hem behoeft alzoo slechte de meening te bestaan dat het verlangde in atrijd met diens plicht is (aanteekening 9 op artikel 177), doch bij den ambtenaar vordert de wet de wetenschap dat de handeling gedaan werd opdat hij iets zon doen dat niet, of iets dat wel met zijn plicht strijdt. Deze tegenstelling tusschen weten en bedoelen brengt mede dat dwaling van hem die de gift of de belofte doet omtrent den aard van het verlangde voor de strafbaarheid van den ambtenaar onverschillig is.

Ware het anders, er zou voor het verschil tusschen artikel 362 en 363 geen reden bestaan. De dwaling van hem die de gift of de belofte doet kan toch bezwaarlijk de strafbaarheid van den ambtenaar bepalen. De wetenschap van den ambtenaar kan zich slechte uitstrekken over de bedoeling dat hij voor de gift of de belofte iets zal doen of nalaten, en over het geoorloofde van zijn doen of nalaten.

Zelfs zou meestal geen van de beide artikelen toe te passen zijn. Wanneer den ambtenaar een belofte gedaan wordt, zal daarbij zeker alleen worden uitgedrukt wat van hem verlangd wordt zonder dat de belover er uitdrul&elijk bgvoegt of hij dit voor geoorloofd

Sluiten