Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

339

ARTIKEL 372, 373.

5. Ambtenaar, zie aanteekening 9 op artikel 28—31 en artikel 84.

6. Voor de bijkomende straf zie artikel 29.

Artikel 373.

De ambtenaar van eenige openbare instelling van vervoer die een aan zoodanige imtelbng toevertrouwden brief, briefkaart, stuk of pakket opzettelijk aan een ander dan den rechthebbende afgeeft, vernietigt, wegmaakt, zich toeeigent, of den inhoud wijzigt of eenig daarin gesloten voorwerp zich toeeigent, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren.

Indien zoodanig stuk of voorwerp geldswaarde heeft, wordt de toeëigening gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren.

1. Ambtenaar, zie aanteekening 9 op artikel 28—31 en artikel 84; openbare mstelling van vervoer en daaraan toevertrouwde stukken, aanteekening 4 op artikel 371 en 1 op 372»); wegmaken, aanteekening 1 op artikel 350, en 3 hierna.

2. Alle hier genoemde handelingen zijn wederrechtelijke handelingen; van daar dat de Minister van justitie niet noodig achtte het woord „wederrechtelijk" in het artikel op te nemen. In het bijzonder ten aanzien van de afgifte aan een ander dan den rechthebbende werd er op gewezen dat die niet altijd daardoor bepaald wordt dat een ander dan de geadresseerde het stuk ontvangtwanneer de afgifte gedaan moet worden aan de justitie, den curator in een faillissement, is deze de rechthebbende.

Buiten het geval dat een ander afgifte zou kunnen eischen is in de eerste plaats rechthebbende de geadresseerde2). Weigert

*) Het Gerechtshof te Arnhem paste bij arrest van 29 Maart 1906 W 8305 srtakel 373 terecht toe op een brief die door een postambtenaar in de bus was gestoken wegens vermoeden tegen een anderen ambtenaar en tot controle van diens handelingen; de brief was als in de postbus gestoken bestemd om naar de gewone regelen behandeld te worden en dus aan de post toevertrouwd. Val Rechtbank Leeuwarden 2 April 1913, W. 9485. Zoo ook Hooge Raad 16 Mei 1927, W. 11691, N. J. 1927, 920.

2) Artikel 24 van het Koninklijke besluit van 28 Juni 1850, StbL 34, bepaalde dat de afzender vóór de verzending van het postkantoor de stukken kan terugnemen. Deze bepaling schijnt te rijn afgeschaft, rij komt althans vóór noch in de wet noch in het Koninklijke besluit van 11 Februari 1892, StbL 42, waarbij eerstgemeld besluit is ingetrokken. Intusschen zal men m.i. wel moeten aannemen, dat, als de afzender ondubbelzinnig doet blijken de afgifte aan de geadresseerde, die nog niet heeft plaats gebad, niet langer te wenschen, laatstgenoemde niet de rechthebbende is, zoodat de afzender weer als zoodanig moet gelden.

Sluiten