Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ARTIKEL 435.

450

meer berustende op de terminologie van het Wetboek van strafrecht, dat integendeel ambtenaren (titel 8 van het Tweede boek) in het algemeen rekent tot het openbaar gezag1).

De ambtenaar vertegenwoordigt echter het gezag alleen wanneer hij werkzaam is binnen den kring zijner bevoegdheid; zie het aangehaalde arrest en dat van 29 Mei 1893 2). Hij moet niet slechts in het algemeen zijn in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening maar ook in het bijzonder bevoegd zijn tot afvragen van den naam; bevoegdheid is een betrekkelijk begrip, en kan slechts in verband worden gebracht met bepaalde handelingen.

Uitdrukkelijk behoeft de bevoegdheid juist niet verleend te zijn, indien zij maar voortvloeit uit den aard der aan den ambtenaar opgedragen werkzaamheden. Zoo is een ambtenaar, bevoegd tot het opsporen van een strafbaar feit en diensvolgens verplicht deswege proces verbaal op te maken volgens artikel 52 van het Wetboek van strafvordering ook bevoegd door het afvragen van den naam te doen blijken wie de verdachte ia. De bevoegdheid strekt zich m. L zelfs verder uit Voor de vaststelling van het strafbare feit is dikwijls het hooren van getuigen noodig, en het afvragen van hun namen maakt dus een integreerend bestanddeel van den plicht der met de opsporing belaste ambtenaren uit8).

Aan politieambtenaren komt ook de bevoegdheid toe tot het aanhouden van personen tegen wie een bevel tot bewaring ia uitgevaardigd door het openbaar ministerie of den rechter commissaris of een bevel van gevangenneming door den rechter, of wel een bevel van aanhouding door het eerste tot executie van-een veroordeeling. Onder het laatste moet begrepen zijn de aanhouding krachtens signaleering in het algemeen politieblad4).

Het afvragen van namen is voorts aan de presidenten der rechterlijke colleges, de rechters commissarissen en de kantonrechters opgedragen in alle gevallen waarin iemand in persoon vóór den rechter verschijnt en zijn identiteit behoort vast te staan; dit geldt dus zoowel de verhooren van getuigen in burgerlijke zaken en strafzaken als die van verdachten. Eindelijk zijn de met het doen van exploiten belaste ambtenaren,

*) Arrest van 5 Februari 1894, W. 6471. 2) W. 6355.

8) Cnopius in Tijdschrift voor strafrecht XII, blz. 11 en thans ook Hooge Raad 11 November 1947, N. J. 1948, no. 126.

4) Cnopius t.a.p. blz. 10. Bij arrest van 22 November 1915, W. 9894, N. J. 1916, 236, besliste de Hooge Raad dat het enkele feit dat een veldwachter wil vaststellen of iemand in het politieblad gesignaleerd is hem niet de bevoegdheid geeft tot het afvragen van diens naam. wel heeft hij die bevoegdheid tegenover iemand in wien hij redelijkerwijze een gesignaleerde vermoedt.

Sluiten