Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ARTIKEL 436.

460

de wetten op het lager en op het middelbaar onderwijs, op de uitoefening van de geneeskunst, de artsenijbereidkunst, de veeartsenijkunst. Bij die wetten wordt echter niet altijd de uitoefening van het beroep op zich zelf aan toelating gebonden.

In de wet op het middelbaar onderwijs van 2 Mei 1863, StbL 50, wordt o.a. verboden en bij het nu vervallen artikel 6 strafbaar gesteld het geven van middelbaar onderwijs zonder bevoegdheid, d. L daar de bevoegdheid afhankelijk is van toelating (onder zekere omstandigheden van vergunning), zonder toelating. Dit geeft echter geen aanleiding tot bezwaar, vermits het uitoefenen van het beroep van geven van middelbaar onderwijs toch ook gebonden is aan toelating nu deze reeds voor het geven van dat onderwijs in het algemeen gevorderd wordt.

Evenzoo is het met de uitoefening van de artsenijbereidkunst, artikel 1 der wet van 1 Juni 1865, StbL 61.

In de wetten op de uitoefening van de geneeskunst, 1 Jnni 1865, StbL 60, en de veeartsenijkunst, 8 Juli 1874, StbL 98, wordt daarentegen verboden de uitoefening van geneeskunst, resp. veeartsenijkunst, waardoor de wet zelf zegt te verstaan het verleenen van genees- en heel-kundigen raad of bijstand (resp. voor het vee) als bedrijf. Blijkbaar is deze uitdrukking door den strafwetgever als eenzelvig met het uitoefenen van beroep beschouwd1). Om uit te drukken dat er is uitoefening van beroep moet de dagvaarding dan ook inhouden dat de geneeskundige raad of bijstand ia verleend als bedrijf2). Echter behoeven de woorden als bedrijf in de dagvaarding niet voor te komen, indien uit de omschrijving van de feiten voortvloeit dat de handelingen als bedrijf zijn verrichts).

2. Voor strafbaarheid is bepaaldelijk noodig het gemis van de bij de wet gevorderde toelating, welke de algemeene voorwaarde is voor de uitoefening van het beroep. Daarom achtte de Hooge Baad niet strafbaar den schipper van een veevaartuig die zijn beroep uitoefent zonder in het bezit te zqn van een geneeskundige verklaring, als genoemd werd in artikel 41, 3 van het Koninklijke besluit van 22 September 1909, StbL 315; het bezit van zoodanige verklaring was wel voorgeschreven, maar de uitoefening van het beroep is daarmede niet van een toelating afhankelijk gesteld.

*1 VgL conclusie van den Advocaat generaal Gregory hij Hooge Raad 18 Juni 1888, W. 5576.

2) Hooge Raad 27 December 1893, W. 6455.

3) Hooge Raad 5 Maart 1908, W. 8677; 5 Mei 1913, W. 9504; vgL 12 December 1921, W. 10853, N. J. 1922, 276.

Sluiten