Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

517

ARTIKEL 458,

beid, daar het recht van den eigenaar of gebruiker van den grond medebrengt dat dieren die schade kunnen aanrichten er van afgehouden worden. Het gemis van recht is dus ook een positief element der overtreding, dat telastegelegd en bewezen moet worden 1).

Het recht waaruit gehandeld wordt behoeft niet juiat een privaat, persoonlijk recht te zijn. Dat over een grond een weg ligt heft de toepasselijkheid van dit en de volgende artikelen op het loopen langs dien weg op, ook al zou bij het loopen het gezaaide, gepote, geplante niet vermeden kunnen worden, ook al is het openbare pad met gras begroeid en dus een deel van het in artikel 459 en 460 genoemde wei- of hooi-land, mits maar niets betreden wordt dat buiten den openbaren weg ligt. De artikelen betreffen alleen het land voor zoover het bestemd is en gebruikt wordt zooals hier is omschreven 2).

Ook de eigenaar van de grond zal in het algemeen een niet gerechtigde zijn, indien de grond rechtmatig bij een ander in gebruik is3).

2. Het voorwerp waaraan de overtreding kan worden gepleegd wordt gevormd door tuinen en bezaaiden, bepoten of beplanten grond. Het behoeft niet eens anders grond te zijn; de eigendom komt alleen in aanmerking voor beantwoording van de vraag naar het recht des daders (aanteekening 1).

Voor tuinen is geen nader vereiachte gesteld; het enkele feit dat de grond is een tuin is voldoende. Dit volgt ook uit de geschiedenis van het artikel Oorspronkelijk werd er niet van tuinen gesproken; het woord werd in het artikel gebracht ook tot voorkoming van verschillen over de vraag of een tuin met zekere bloemen en planten bezet onder bezaaiden, bepoten, beplanten grond begrepen zou zijn *).

De overige gronden moeten bezaaid, bepoot of beplant zijn. Bescherming van het gezaaide, gepote en geplante staat op den' voorgrond, zoodat ook moet worden uitgemaakt dat inderdaad de

) Hooge Raad 7 Mei 1888, W. 5554. ïntusschen zal dat bewijs kunnen worden

geput uit de omstandigheid, dat de verdachte öf wel geen enkel recht heeft

fieweerd of wel een beweerd recht niet aannemelijk heeft gemaakt op de wijre

die, indien het inderdaad bestond, in zqn vermogen zou liggen. Te ver in de

™i^f/ï? "mkeerine van de bewijslast gaat nui. Hooge Raad 22 Mei 1933,

ï« W'0£ 15M' ^ belanSrijke ™»<* ^n W. P.; vgl. ook 11 December

1933, W. 12707, N. J. 1934, 204.

2) Hooge Raad 25 November 1895, W. 6742; 21 Januari 1901, W. 7557j 7 Maart 1921, W. 10726, N. J. 1921, 562.

3) Zoo, bij artikel 460, Hooge Raad 4 Jnni 1928, w*. 11862, N. J. 1928, 1339. *) Smidt III, eerste druk 300, tweede druk 340.

Sluiten