Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

24

ARBEIDSDUUR — ARBEIDSOESCHILLENWET 1923

Artikel 14 der wet luidt:

„Wanneer bij de collectieve arbeidsovereenkomst niet anders is bepaald, is de werkgever, die door die overeenkomst gebonden is, verplicht, tijdens den duur dier overeenkomst haar bepalingen omtrent arbeidsvoorwaarden ook na te komen bij de arbeidsovereenkomsten, als in de collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld, welke hij aangaat met arbeiders, die door de collectieve arbeidsovereenkomst niet gebonden zijn."

Dit artikel bevat slechts aanvullend recht, zoodat partijen vrijheid hebben in hun overeenkomst van deze bepaling af te wijken.

Verder merken we op, dat dit artikel slechts den patroon bindt en niet den arbeider. De patroon is in alle gevallen verplicht, om aan alle arbeiders de hoogere loonen der C. A. O. te betalen, de aan de C A. O. onderworpen arbeider heeft vrijheid om tegen lager loon te gaan werken bij een niet aan de C. A. O. gebonden patroon.

Naar zijn inhoud staat dit artikel geheel naast het streven om tot verbindendverklaring te geraken. Evenwel moet erkend worden, dat het naar zijn werking stellig een stimulans zal zijn in de richting der verbindendverklaring, omdat het de beteekenis der C. A. O. voor het bedrijf doet toenemen.

Wat men onder verbindendverklaring van het collectief arbeidscontract heeft te verstaan ? Zij is het scheppen van de mogelijkheid om te bereiken dat, wanneer een groot aantal bedrijfsgenooten eenmaal aan een CA. O. gebonden is, ook de andere bedrijfsgenooten zich aan die CA. O. zullen hebben te houden. Zijn dus eenmaal krachtens eenige C. A. O. de georganiseerde patroons in een bedrijf aan die CA. O. gebonden jegens de arbeiders, die georganiseerd zijn in vakvereenigingen, waarmede de patroons de C. A. O. afsloten, dan wil men door verbindendverklaring van den inhoud der C. A. O. ook binden die patroons en arbeiders in het bedrijf, die ongeorganiseerd zijn, of wier organisatie de CA.O. niet medeonderteekende.

Het collectief arbeidscontract verdient groote waardeering. Het voor geruimen tijd vastleggen der bepalingen, waaraan patroon en arbeider zijn gebonden, komt den werknemer, den werkgever en kan het geheele economische leven ten goede komen. Een ongestoorde gang van het productieproces wordt er door bevorderd, vooral indien niet eenzijdig „klasse"belang op den voorgrond treedt, maar het oog wordt gericht op het geheele bedrijfsleven, bovenal indien ook op het terrein van den arbeid men gedachtig is aan den eisen om God lief te hebben boven alles en den naaste als zichzelven. [ 47.

Arbeidsduur. Toen de maatschappij niet in staat bleek de misstanden, die op het gebied van den over matigen arbeidsduur heerschten, uit den weg te ruimen, heeft de Overheid ingegrepen, en langzamerhand dwingende voorschriften betreffende den maximalen arbeidstijd gegeven.

In 1874 kwam op initiatief van Mr S. van Houten een wet tot stand, die aan kinderen beneden 12 jaar fabrieksarbeid verbood. In de Arbeidswet van 1889, door Minister Ruys van Beerenbroek verdedigd, werd bovendien de

arbeidstijd van vrouwen en jeugdige personen tot 16 jaar aan beperkingen onderworpen. In 1911 verbood de Arbeidswet-Talma den kinderarbeid beneden 13-jarigen leeftijd en stelde verder gaande beperkingen vast betreffende den fabrieksarbeid van vrouwen en jeugdige personen tot 17 en 18 jaar. Bij afzonderlijke wetten werd de arbeidsduur voor volwassen mannelijke arbeiders werkzaam in speciale bedrijven verkort. Zoo in het Mijnreglement van 1906 voor mijnwerkers, in de Caissonwet van 1905 voor duikers, in de Steenhouwerswet van 1911 voor steenhouwers en in de Stuwadoorswet van 1914 voor hen, die in het havenbedrijf werkzaam zijn. In 1911 diende het kamerlid Schaper een initiatief-voorstel in, waarbij de 10-urige arbeidsdag dwingend werd voorgeschreven. Dit ontwerp is echter jarenlang onafgedaan blijven liggen.

In 1919 kwam op voorstel der Regeering, de wet-Aalberse tot stand, die den 8-urigen arbeidsdag en de 45-urige arbeidsweek voor den arbeid in fabrieken en werkplaatsen, en voor den arbeid daarbuiten den 10-urigen arbeidsdag en de 55-urige arbeidsweek invoerde. De Arbeidswet-1919 bevat voorts bepalingen, betreffende nachtarbeid, Zondagsrust, vrije Zaterdagmiddag, rusttijden onder den arbeid enz. Op deze wet steunen het Arbeidsbesluit 1920 en andere algemeene maatregelen van bestuur, die verschillende uitvoeringsvoorschriften geven. De arbeidsinspectie houdt toezicht op de naleving der wettelijke bepalingen. Bij de wet van 20 Mei 1922 Staatsblad 364 is de arbeidstijd voor fabrieken en werkplaatsen verlengd tot 8l/2 uur per dag en 48 uur per week. Men heeft ingezien, dat men onder invloed van den economischen opbloei na den grooten oorlog iets te ver was gegaan. De Arbeidswet heeft voor de arbeiders groote verbeteringen gebracht. Het bedrijfsleven, dat aanvankelijk met moeilijkheden te kampen heeft gehad, heeft zich langzamerhand aan hare voorschriften aangepast. [ 52.

Arbeidsgeschillen wet 1928. Aldus luidt de officieele titel van de wet van 4 Mei 1923, Staatsblad 182, houdende bepalingen tot bevordering van de vreedzame bijlegging van geschillen over arbeidsaangelegenheden en tot het voorkomen van zoodanige geschillen.

Oorspronkelijk bevatte reeds de wet op de Kamers van Arbeid van 1897 een zeer onvoldoende regeling om stakingen te voorkomen. Het groote nadeel, economisch en moreel, der menigvuldige werkstakingen — in de jaren 1919-1925 was het aantal arbeidsdagen dat door staking verloren ging meer dan een millioen per jaar — deed uitzien naar middelen om deze zooveel mogelijk te beperken en te bekorten. Het Australische stelsel, een absoluut stakingsverbod, heeft in de praktijk niet Voldaan; evenmin het Canadeesche, dat staking verbiedt, voordat een arbitrale uitspraak in het geschil is gegeven.

De Nederlandsche wet laat de bevoegdheid om te staken onaangetast en dwingt werkgevers en arbeiders niet om de tusschenkomst vaneen derde in te roepen of te aanvaarden.

Voor de uitvoering der Arbeidsgeschillenwet

Sluiten