Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ARTIKEL XXXVI

29

Jacob van Artevelde. Daar vereenigen zich nog dikwerf de vrijheidslievende Vlamingen, daar deden in 1917 na de uitroeping van Vlaanderens onafhankelijkheid de Jong Vlamingen ten getale van een tienduizend man van den eed van trouw tot den dood aan het vrije Vlaanderen.

Artikel XXXVI der Nederlandsche Geloofsbelijdenis is in den nieuweren tijd een twistappel geworden; met name om deze zinsnede: „En hun (der Overheden) ambt is, niet alleen acht te nemen en te waken over de Politie, maar ook de hand te houden aan den heiligen Kerkedienst; om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valschen godsdienst, om het rijk des antichrists te gronde te werpen, en het koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen, het woord des Evangelies overal te doen prediken, opdat God van een iegelijk geëerd en gediend worde, gelijk Hij in Zijn Woord gebiedt." Reeds van het begin der Afscheiding waren er leeraars in de Christelijke Afgescheidene kerk, die bij hun toelating verklaarden, dat zij Artikel 36 niet op zulk een wijze verstonden, alsof daarin beweerd wordt, dat de Overheid door middel van het zwaard den valschen godsdienst zou moeten uitroeien. De Synode van 1857 te Leiden, om een duidelijke verklaring van den zin van dit artikel gevraagd, oordeelde, dat de bedoeling ervan was, „dat het de Overheid als zoodanig betaamt, dat zij als Gods dienares de ware leer en godsdienst moet beschermen, en met de macht, haar van God gegeven, alle valsche godsdiensten en afgoderijen behoort uit te roeien, door zulke middelen als zij recht en billijk zal oordeelen overeenkomstig Gods Woord". Bekend is, dat Prof. van Velzen levenslang het gevoelen heeft voorgestaan, dat afgoderij en valsche godsdienst door de Overheid moeten geweerd en uitgeroeid, terwijl zijn ambtgenoot Brummelkamp en diens leerling Donner beweerden dat dit de Overheid niet toekwam. Nog in 1883 handhaafde Prof. van Velzen zijn gevoelen tegenover Prof. Kuyper in een Open Brief aan dezen inzake het ambt der Overheid. Dr Kuyper verbloemde nimmer, dat hij vierkant tegen de bewuste zinsnede van Artikel 36 over stond. In Standaard en Heraut, op kerkelijke vergaderingen en in de volksvertegenwoordiging, altijd weer getuigde hij er tegen. In zijn Stonelezingen, te Princeton in Noord-Amerika gehouden, noemt hij het gevoelen, dat 's lands Overheid van Gods wege verplicht zou zijn den valschen godsdienst uit te roeien, „defatale uiting van een in vroeger eeuw algemeen gangbare dwaling, de uitkomst van een eeuwenoud stelsel, dat het Calvinisme had gevonden, waarin het was opgegroeid en waaraan het zich nog niet had ontworsteld." Daarentegen schreef Prof. Bavinck in De Bazuin van 3 December 1898: „Het is een verkeerde voorstelling, te zeggen, dat onze vaderen bij het opstellen van dit artikel niet goed wisten, wat zij deden, en nog verkeerden onder den indruk der Middeleeuwsche beschouwing. Niets is minder waar. Zij hebben zich ook op dit punt nauwkeurig rekenschap gegeven van hun geloof. Zij waren niet onfeilbaar, en kunnen natuurlijk gedwaald hebben. Maar zij hadden de vaste overtuiging, ook met deze hunne

belijdenis op den bodem van Gods Woord te staan; zij hebben haar uit de Schrift en uit de historie op allerlei wijze bewezen en verdedigd, en de tegenovergestelde theorie met beslistheid verworpen en bestreden. Ja zelfs, hoewel zij zelve in hun tijd de dupe werden van hun eigene overtuiging en om hun geloof door de Overheid vervolgd en gedood werden, toch hebben zij nooit in beginsel dezen plicht der Overheid ontkend, doch alleen beweerd, dat de Overheid dezen plicht verkeerd toepaste, als zij de belijders van de Gereformeerde religie vervolgde; want niet de Roomsche, doch de Gereformeerde religie was de ware." Inmiddels hadden de heeren F. L. Rutgers, M. Noordtzij, D. K. Wielenga, L. Lindeboom, P. Biesterveld, A. Kuyper, H. Bavinck en J. H. Donner op de Synode der Gereformeerde kerken te Middelburg in 1896, een gravamen ingediend tegen den inhoud en de strekking van de derde zinsnede in art. 36, als zijnde niet conform den Woorde Gods. De Synode benoemde nu een commissie, die de volgende Synode zou dienen van advies hieromtrent. Nadat de zaak aanvankelijk niet al te vluggen voortgang had, werd in 1902 een nieuwe commissie van advies benoemd, die haar taak met ijver vervulde en in het begin van het jaar 1905 haar rapport den kerken aanbood. Het advies verklaarde het gravamen der bezwaarde broederen gegrond, en verzocht aan de Synode, die in Augustus 1905 te Utrecht vergaderde, zoodanige maatregelen te willen nemen ais noodig zouden zijn om hunne conscientien te ontlasten. Deze Synode besloot daarop tegen de adviseerende stem van twee leden met 24 tegen 16 stemmen de woorden „om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valschen godsdienst en het rijk van den Antichrist te gronde te werpen", in art. 36 der Confessie te schrappen. Eén der kerkelijke hoogleeraren, Prof. Dr. A. G. Honig, verklaarde zich onmiddellijk ten zeerste bezwaard over deze beslissing der Synode, aangezien met schrapping dezer woorden een gewichtig beginsel uit onze Belijdenis was weggenomen, dat wel tot dusver niet schriftuurlijk was geformuleerd, maar toch in onze Confessie diende gehandhaafd te blijven, zoolang al thans deze zich uitspreekt over de roeping van de Overheid ten opzichte van de eerste tafel van de Wet des Heeren. In een schrijven van 23 Octoberl914namenshet college van Hoogleeraren der Theologische School door A. G. Honig als Voorzitter en H. Bouwman als Secretaris onderteekend en bij de Synode te 'sGravenhage van dat jaar ingediend, spraken de hoogleeraren als hun overtuiging uit, dat Art. 36 niet mocht blijven zooals het door de schrapping geworden was, maar dat daaruit ook diende weggenomen te worden, wat nu nog als taak der Overheid wordt beleden, n.1. „de hand te houden aan den heiligen kerkedienst, het Koninkrijk van Jezus Christus te doen vorderen, het Woord des Evangelies overal te doen prediken". De Synode erkende, dat er in de opmerkingen der Hoogleeraren wel „eenige waarheid" schuilde, maar achtte de tijden om tot een duidelijke en eenparige omschrijving van de taak der Overheid ten opzichte van het Evangelie en de kerk van Christus te komen, niet rijp te zijn. Op de Synode

Sluiten