Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BRUTUS

wordt, bij Robert Browne. Deze werd 1550 in Engeland geboren, studeerde in Cambridge, waar hij in aanraking kwam met het strenge Puritanisme. Zonder toestemming van den bisschop trad hij in de plaats van een der predikanten op. Niet alleen dit onwettig optreden, maar ook zijn groote gaven, stemden de geestelijkheid niet gunstig voor hem. Huiskapelaan geworden in Norfolk, kwam hij in aanraking met de Nederlandsche Anabaptisten, die daar een toevluchtsoord hadden gevonden. Mede door hun invloed kwam hij steeds meer te staan tegenover het episcopale systeem, dat in de Engelsche staatskerk heerschte. In 1580 brak hij met de kerk en vormde met de zijnen de eerste separatistenkring in Norwich. De kerkelijke autoriteiten bemoeiden er zich mee en 't was alleen door protectie dat Browne niet in zijn vrijheid werd belemmerd. Toch was zijn positie in Engeland onmogelijk geworden en daarom vluchtte hij met zijn z.g.n. gemeente naar Middelburg. Browne zelf was allerminst de man om leiding te geven.'Binnen enkele jaren legde hij drie maal zijn ambt neer en nam het dan na plechtige verzoening weer op. De gemeente in Middelburg kwam niet tot bloei en Browne keerde 1583 naar Schotland terug. Daar kon hij geen invloed krijgen en zoo kwam hij zomer 1584 in Engeland. Eerst werd hij gevangen gehouden, maar wij lezen van hem dat hij later, weer vrijgelaten, ruim 40 jaren de Staatskerk heeft gediend. Hij stierf 1636 in de gevangenis. Waarom ? Volgens sommigen zou hij een politiedienaar geslagen hebben. Anderen spreken over een mishandeling van zijn vrouw. Tenslotte is er nog een hypothese, die Browne sinds zijn gevangenschap in 1585 voor ontoerekenbaar houdt. Dan wordt verklaarbaar die ongedachte houding, dat hij nog 40 jaren de staatskerk diende. Dan wordt ook verklaarbaar dat hij, ondanks zijn höogen ouderdom, toch niet meer vrij zich bewegen kon. Dit alles is echter maar hypothese.

Zie ook: Congregaüonalisme, dl.'I en Independentisme, dl VI. [ 11.

Brutus, (Romeinsche geschiedenis) bijnaam van het plebejisch geslacht der Junii, waaruit verschillende bekende personen zijn voortgekomen, van welke Marcus Junius Brutus, een der samenzweerders tegen Julius Caesar, de meest bekende is. Hij was de schoonzoon van den republikein Cato, maar heeft Caesar in verschillende ambten gediend en had hem veel te danken. Desniettegenstaande heeft hij, onder den invloed van republikeinen en vijanden van Caesar en in de meening zijn vaderland er mee te dienen, meegeholpen zijn weldoener te vermoorden (15 Maart 44 v. Chr.). Dat Caesar gezegd zou hebben: „ook gij Brutus" is zeer twijfelachtig. Na den slag bij Philippi, waar hij met zijn aanhang door Antbnius en Octavianus een jaar later verslagen werd, pleegde hij zelfmoord. Later tijd zag in hem den belangeloozen strijder tegen de tyrannie; dit is misschien de reden, waarom in 1580 de schrijver van een strijdschrift over het recht van verzet tegen de Overheid (n.1. de Vindiciae contra tyrannos), waarschijnlijk Du Plessis—Mornay, den schuilnaam Stephanüs Junius Brutus aannam. [ 46.

_ RITRFR

91

Bruyère (Jean de la), (Parijs, 1645; f 1696, Versailles). Beroemd Fransch moralist. Hij was de leermeester van den jongen hertog van Bourbon, den kleinzoon van den grooten Condé, en ten behoeve van zijn illusteren leerling, vertaalde hij Theophrastus Karakters. Hij deed dat op zulk een geniale en oorspronkelijke manier dat hij zijn model alleszins overtroffen heeft. Zijn Caractères ou mceurs de ce siècle zijn allereerst als leerboek bedoeld: alle soorten van zinsbeleid, alle rhetorische wendingen en stijlfiguren zijn erin verwerkt. Maar deze pure rhetorica wordt gedragen en geadeld door de innerlijke kracht van La Buyère's proza en door zijn drang tot de meest getrouwe en tegelijkertijd meest temperamentvolle weergave van de werkelijkheid. La Bruyère heeft in dit zijn eenige werk gegeven een reeks tableaux en portretten die tezamen een getrouwen spiegel van zijn tijd vormen. Dikwijls is het de welsprekende uiting van de verontwaardiging van iemand wien de maatschappelijke ellende der verdrukten ter harte gaat en die met leede oogen aanziet den onbeschaamden hoogmoed en den onverdienden voorspoed der machtigen. [ 50.

Buber (Dr Martin), geboren 1878 in Weenen, kleinzoon van den beroemden Rabbijn Salomo Buber (geboren 1827 te Lemberg, gestorven aldaar in 1906) is eene representatieve persoonlijkheid in het Jodendom in Duitschland.

Hij is zeer alzijdig ontwikkeld. In 'Weenen, Leipzig, Berlijn en Zürich studeerde hij wijsbegeerte en kunstgeschiedenis.

Reeds als student schreef hij Zionistische artikelen. Van 1906—1916 woonde hij dichtbij Berlijn en hield zich bezig met de studie der godsdienstwetenschap. Levendig verkeer onderhield hij met de leidende geesten in deze periode. Van 1916—1924 was hij redacteur van het op zijn initiatief uitgegeven voornaamste orgaan der Duitsch-sprekende Joden: Der Jade.

Sedert 1923 is hij Professor in de Joodsche godsdienstwetenschap en ethiek aan de Universiteit te Frankfort a/d Main.

In de Zionistische beweging is hij een voorstander van actieven Palestina-arbeid en van eene politiek, die 'n vergelijk met de Arabieren zoekt.

Ofschoon hij sedert het 12e Zionistische Congres (in Karlsbad 1921) niet meer aan de actieve Zionistische politiek deelneemt, is hij toch curator van de Hebreeuwsche Universiteit te Jeruzalem.

Buber heeft onder 't (Jodendom sterk de kennis van het Chassidisme doen herleven.

Hoezeer Buber ook zelfs in Joodsch-orthodoxe kringen invloed heeft weten te oefenen, hij staat niet meer op Joodsch-traditioneel standpunt.

Merkwaardig is de wijze, waarop» hij over Jezus schrijft. Deze is hem de centrale Jood. Hij eischt Jezus op voor het Jodendom. Maar Jezus' Middelaarschap en Zoonschap Gods weigert hij te erkennen.

Buber's godsdienstig systeem is meer philosophie dan religie.

Buber geeft samen met niet-Joden een tijdschrift: Der Kreatur uit, waarin vooral sociologische en paedagogische problemen besproken worden.

Dat Buber ook zelfs samensprekingeh met de

Sluiten