Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

192

GLADSTONE

van strijdwagens. De spelen werden te voren aangekondigd; zij vingen aan op stompe wapens en werden voortgezet met scherpe, op leven en dood. De zwaargewonde kon door hem, die de spelen gaf, van den dood gered worden, indien hij zijn duim omhoog stak. De volkswil gaf spoedig hierbij maatstaf aan. Steeds overwinnende gladiatoren ontvingen belooningen en werden op den duur van hun dienst vrijgesteld. Afbeeldingen zijn in grooten getale bewaard (reliëfs, muurschilderingen enz.) De invloed van het Christendom heeft op den duur — niet vóór het begin der vijfde eeuw — aan de gladiatorengevechten een einde gemaakt. [ 41.

Gladstone (WUliam Ewart), (1809-1898). Zijn vader, John Gladstone, een rijk koopman in Liverpool, lid van het parlement, vriend van den conservatieven staatsman Canning, behoorde tot den Schotschen landadel. WUliam werd in 1821 naar de school van Eton gezonden, waar vooral zijn aanleg voor het debat en zijn edel karakter de aandacht trokken. In 1828 ging hij naar Oxford met sterke belangstelling in zaken van godsdienst en politiek, overtuigd conservatief in zijn vrees voor revolutie, maar steeds met een warm hart voor de armen. Hij studeert in de klassieke letteren, de philosophie en de wiskunde. Zijn schitterende welsprekendheid bezorgde hem op 24-jarigen leeftijd een zetel in het Parlement, geheel overeenkomstig den wensch van zijn vader. Hij zelf had de voorkeur gegeven aan den kerkedienst, maar hij was spoedig verzoend met zijn politieken werkkring. Zijn eerste rede was een verdediging van het stelsel van slavenarbeid op zijns vaders landgoed in Demerary toegepast. Kort daarop sprak hij over de lersche kerk en over universiteitsvraagstukken, steeds met zichtbaar resultaat. In 1834 werd hij lord van de schatkist inPeel's ministerie, een jaar later onderstaatssecretaris van de koloniën, in welke functies hij een buitengewoon vermogen toonde, om in zeer korten tijd zich in de meest ingewikkelde kwesties grondig in te werken. Steeds vaster kwam hij tot de overtuiging, dat in autonomie van de deelen de eenige oplossing te vinden was van het „imperiale" probleem.

Door de aftreding van het ministerie-Peel in 1835 kreeg Gladstone weer meer tijd voor vrije studie. In 1838 verscheen zijn geruchtmakend werk: De staat in zijn betrekkingen tot de kerk. Hij ging niet zoo ver als Manning en Newman, maar hij deed zich toch kennen als een voorstander van den staatspticht om daadwerkelijke en uitsluitende ondersteuning te bieden aan één kerk, als een pleitbezorger voor de politieke suprematie en de geestelijke onafhankelijkheid van de bevoorrechte kerk. „Noch Oxford, noch eenige andere plaats of persoon, had mij geleerd de waarde van de vrijheid als een wezenlijke voorwaarde van uitmuntendheid in menschelijke dingen" zeide hij later. In 1841 keerde Gladstone met Peel terug tot het landsbestuur. Als vicepresident van het departement van handel moest hij zich weer op voor hem geheel nieuwe vragen toeleggen, maar opnieuw slaagde hij daarin wonderwel tot verbazing van het parlement, waarin hij door zijn ijver, zijn kennis, zijn kracht,

zijn zelfbeheersching, zijn oratorische talenten een zeer geziene figuur was. Op 33-jarigen leeftijd kwam hij aan het hoofd van zijn departement, zette weldra zijn aangevangen tariefhervorming verder voort in de richting van vrijhandel en zag ook de groote spoorweg-wet van 1844 aangenomen. In 1845 legde hij zijn portefeuille neer, omdat hij het niet eens was met de subsidieverleening aan het lersche priesterseminarium Maynooth.

Toen In 1845 Peel zijn ministerie reorganiseerde, om de graanwetten in te trekken, werd Gladstone secretaris van koloniën. Zijn zetel voor Newark moest hij opgeven, omdat de graaf van New-Castle, een protectionist, zijn herkiezing niet kon ondersteunen. In 1846 trad hij met Peel af. Bij de algemeene verkiezingen van 1847 werd hij weer Parlementslid en wel voor de Univerteit van Oxford, een eer, welke Peel en hij beide beschouwden als een van de kostbaarste onderscheidingen in bun leven. Jaren volgden van gestadige, zij het ook onbewuste ontwikkeling in liberalen zin, jaren ook van groote parlementaire prestaties. Na een winter in Italië doorgebracht te hebben, bracht hij groote opschudding teweeg door zijn bekende brieven aan Lord Aberdeen, waarin hij de tyrannie van de Regeering van Napels aan de kaak stelde. Gladstone weigerde zitting te nemen in het ministerie Derby en in een van de geweldigste onvoorbereide redevoeringen van zijn leven leverde hij een indrukwekkende kritiek op Disraeli's begrooting.

In het ministerie-Aberdeen werd Gladstone kanselier van de schatkist welk ambt hij met zulk een talent waarnam, als voor hem zelfs een Peel en Pitt niet hadden getoond.

In een door hem niet overtroffen rede van 5 uur, waarin hij een ingrijpende verandering van de inkomsten-belasting aankondigde, verdedigde hij de begrooting van 1853. In 1854 slaagde hij er in, een wet tot hervorming der universiteiten te doen aannemen.

Als gevolg van de vrij algemeene ontevredenheid over den Krimoorlog trad het ministerieAberdeen af om plaats te maken voor het ministerie-Palmerston. Gladstone oefende veel kritiek uit op de voorstellen en daden van dit ministerie. Toen Palmerston het veld ruimde weigerde Gladstone onder Lord Derby zitting te nemen in de Regeering. Hij wijdde zich aan zijn geliefkoosde studiën in Homerus — 1858 verscheen een werk in 3 deelen — en bereikte na een officieel bezoek aan Corfu de vereeniging van de Jonische eilanden met Griekenland. Daarna bestreed hij met kracht in het Lagerhuis Disraeli's eerste wet tot hervorming van het kiesrecht. De algemeene verkiezingen van 1859 brachten Palmerston weer aan het bewind,! Overtuigd, dat het land zijn diensten noodig had, trad Gladstone nu op als kanselier van de schatkist en werd de meest geziene figuur in het gouvernement van 1859—'65.

Voortgaande op den vrijhandelsweg, en telkens de inkomstenbelasting verlagende, had hij elk jaar een grooter overschot. Juli 1865 trad hij af wegens meeningsverschil met Palmerston, wien

Sluiten