Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

196

GREENHILL - GROENEWEGEN

den bouw der hunebedden — en zij verschillen met name ook daarin, dat de hunebedden massagraven vormen en de tumuli graven voor één persoon vormen (waartusschen weer overgangen voorkomen bij Diever en Zeyen).

Het groote werk over de Grafheuvels in Nederland is: A. E. van Giffen Die Bauart der Einzelgraber (Mannus Bibliotheek No 44 en 45; Leipzig, 1930). [ 39.

Greenhill (WUliam), (1571 — 1671), bekend Gereformeerd Engelsch godgeleerde, studeerde te Oxford, in Magdalen College, wijdde zich aanvankelijk vrijwel geheel aan de studie, was waarschijnlijk ook eenigen tijd predikant in Norwich. Hij ging over tot de independenten, vertrok naar Londen en werd prediker bij de „congregatie" van Stepney. Greenhill was lid van de Westminstersche vergadering van 1643. In 1644 werd de congregationalistische gemeente van Stepney officieel geïnstitueerd, Greenhill was haar eerste predikant. In 1645 gaf hij het eerste deel uit van zijn beroemde verklaring van den profeet Ezechiël, opgedragen aan prinses Elizabeth, tweede dochter van Karei I. In 1649 na den dood van Karei I, werd Greenhill door het parlement benoemd tot huiskapelaan van drie kinderen van Karei I (waar onder de latere Jakobus II). Later werd hij door Cromwell, ofschoon hij predikant bleef van de independentengemeente te Stepney, benoemd tot vicaris van St. Dunstan in het Oosten, de oude Anglicaansche parochiekerk van Stepney. Van dit ambt werd hij bij de restoratie in 1660 ontzet, predikant bij de independenten bleef hij tot zijn dood in 1671. In 1662 verscheen het laatste der vijf deelen van zijn verklaring van Ezechiël. Het werk is in de negentiende eeuw herdrukt. Het is ook in onze taal vertaald. Verder gaf Greenhill enkele kleine geschriften uit. [ 17.

Grimm (Jakob), 1785—1863, met Frans Bopp de grondlegger der moderne taalwetenschap of linguistiek. „Terwijl Bopp vooral de vergelijking en verklaring der vormen beoogde, heeft Grimm zijn bijzondere aandacht aan de klanken gewijd en door zijn wetten der klankverschuiving onschatbare diensten aan de vergelijkende taalstudie bewezen". (Schrijnen). Daarmede werd Grimm de vader der historische taalbeschouwing. Wel beperkte hij zich in zijn hoofdwerk, de Deutsche Grammatuc, totdeGermaansche talen, maar hij toonde hun nauwe verwantschap met de overige talen van den grooten Indo-Germaanschen taalstam aan. Daarbij waren hem onze landgenoot Lambert ten Kate, en de Deen Chrlstiaan Rask voorgegaan. Die wetten der klankverschuiving komen in hoofdzaak hierop neer, dat in een ver verwijderd historisch tijdperk verschillende Indo-Germaansche klanken, door de oudste Germanen werden verschoven tot verwante klanken uit een andere rij, de p tot ƒ, de k tot ch. Met zijn broeder Wilhelm verzamelde Jacob de Duitsche sprookjes en gaf ze uit in de algemeen bekende verzameling. Eveneens schreef Jacob Grimm over de Germaansche mythologie en het oude Germaansche recht, werken van weinig minder beteekenis dan zijn taalkundige. Hij was hoogleeraar eerst te Göttingen, daarna te Berlijn. [ 46.

Groene Kruis (Het). In 1896 was Ds F. C. Fleischer predikant bij de Doopsgezinde Gemeente te Broek op Langendijk, maakte daar kennis met een afdeeling van het Witte Kruis en werd een warm voorstander er van. Op zijn bezoek aan vacante gemeenten maakte hij er propaganda voor, met 't gevolg, dat in Haastrecht ook zulk een vereeniging zou gesticht worden. Tegelijkertijd echter werden dezelfde plannen gemaakt door Dr Poolman te Lange Ruigeweide, en daar verrees de eerste Groene Kruisvereeniging. Ds Fleischer, Dr Poolman e. a. sloegen de banden in elkaar; Ds Fleischer hield overal lezingen, en weldra werd de Zuid-Hollandsche Vereeniging Het Groene Kruis in 1901 opgericht. Op Zuid-Holland volgden al spoedig Friesland en Groningen, en eenige jaren later andere provinciën.

In 1911 werd de Algemeene Nederlandsche Vereeniging Het Groene Kruis opgericht, die den band moest vormen tusschen al die afzonderlijke vereenigingen, maar eerst in 1917 waren alle provinciale vereenigingen toegetreden, ook het Noord-Hollandsche Witte Kruis. Tevens deed zich ook nu de behoefte gevoelen aan een centraal bureau; toen in 1919 door 't Rijk een flinke subsidie werd toegezegd, kon het centraal kantoor overgebracht worden naar Utrecht, Oudegracht 35. Als officiéél orgaan van die algemeene vereeniging werd uitgegeven: Het Groene en het Witte Kruis onder redactie van F. C. Fleischer. Het Groene Kruis leidt geen verpleegsters op, maar geeft in Utrecht een cursus voor verpleegsters, die in een ziekenhuis een diploma hebben behaald, om hen verder te bekwamen voor de wijkverpleging. In 1925 bestond het Groene Kruis 25 jaar en heeft een gedenkboek uitgegeven: In Zuverkrans; daarin is vermeld, al wat die vereeniging gedaan heeft op de volgende terreinen: wijkverpleging, ontsmetting, ziekenvervoer, tuberculosebestrijding, moederschapszorg, magazijnen voor verplegingsartikelen, uitzenden van zwakke stadskinderen naar kolonies. In alle provincies bestaat het Groene Kruis, maar in Noord-Brabant beteekent het weinig; daar wordt dezelfde actie gevoerd door het Roomsch-Catholieke Wit-Gele-Kruis. Sedert het overlijden van Ds Fleischer in 1929 is Ds I. Beyerman redacteur van Het Groene en het Witte Kruis, en is het adres van het Centraal Bureau der vereeniging: Utrecht, Nieuwegracht 69a. [ 38.

Groenewegen. I. H. Groenewegen. Vaderlandsch theoloog uit de 17e eeuw. Studeerde te Leiden; werd predikant te De Lier 1667, te Delfshaven 1670 en te Enkhuizen 1679 tot zijn dood, 1692.

Hij was een volgeling van zijn leermeester Coccejus. Uit zijn geschriften wordt dit duidelijk, met name uit zijn verklaring van de profetische Bijbelboeken. Hij legde zich meer toe op geleerde uitlegging dan dat hij aandrong op de toepassing, op een christelijk leven. Hierin onderscheidt hij zich van zijn geestverwant Fludvan Giffen, die sterk ijverde tegen doode rechtzinnigheid en aandrong op de praktijk der godzaligheid. Dit was oorzaak dat men twee richtingen in het Coccejanisme ging onder-

Sluiten