Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GUNNING

201

Als predikant voelde hij zich sterk aangetrokken tot de Inwendige Zending, wat aan het licht kwam, doordat hij naast zijn geestelijk werk als predikant, ook de volksopvoeding als deel van zijn arbeid beschouwde. Een karaktertrek, die later in zijn Zendingsleven ook sterk tot uiting kwam, erkennende dat de Zending voor heel het volksleven een roeping heeft. Zoo opende hij in Eerbeek een kegelbaan in de pastorietuin, om de jonge menschen uit de herberg te houden — kocht een „vergunning" op, om de drankgelegenheden te verminderen. Een Fröbelschool, een gemeente-diacones, zitting nemen in het bestuur van Hoenderloo, redacteur van De Bouwsteenen, toonden zijn werkkracht. Zijn levensbestemming zou hij echter vinden in de Uitwendige Zending.

Benoemd als Zendings-director nam hij met zijn echtgenoote H. C. de Vries de leiding op zich van het internaat verbonden aan de Zendingsschool van het Genootschap te Rotterdam. De leiding van dit internaat, van zooveel belang voor de geestelijke vorming der toekomstige zendelingen, is wel het beste deel geweest van zijn arbeid. Tot 1913 hebben hij en zijn vrouw zich met volle toewijding aan deze taak gegeven. Aan de kweekelingen gaf hij les in de theologische vakken, maar vooral in de zendingsmethode. Tot zijn taak behoordeook de correspondentie met de zendelingen in Indië en zoo werkte hij zich spoedig in in de geschiedenis der verschillende posten. Nu kwam de drang op, zich door persoonlijk aanschouwen beter op de hoogte te stellen van den toestand op het groote zendingsveld. Daar de Duitsche gedachte van een Zendingsinspecteur aan de Nederlandsche Zending vreemd was — èn in het vaderland èn in Indië voelde men hiervoor weinig — kreeg hij opdracht tot een studiereis. Niet alleen de posten van het Genootschap, maar ook die der Utrechtsche Zendingsvereeniging en der Rijnsche Zending zouden bezocht worden. Als reisgezel ging mede Baron van Boetzelaar, de latere Zendingsconsul, terwijl in Indië Dr Adriani op een deel der reis als gids meeging. Deze reis dunrde ongeveer het geheele jaar 1900 en een gedeelte van 1901. Was er veel op de reis, dat hem teleurstelde, hij kwam onder den indruk, dat het God was, die mede werkte en dat hij, door de Zending te dienen, zich in dienst gesteld had van Gods zaak. In 1916 ondernam hij ten tweede maal de reis naar Indië, die langer dan twee jaar duurde. Ernstig ziek geworden, mocht hij toch hersteld terugkeeren. Door deze reizen kwam hij als Zendings-autoriteit tot volle ontwikkeling. Maar niet lang heeft de Heere hem op zijn post gehandhaafd, in September 1923 kwam aan zijn levensreis een einde.

Gunning's werkkracht was zeer groot, al heeft hij zijn zendingskennis en zendingservaring nooit vastgelegd in bepaalde werken. Zijn pen was zeer ijverig in het schrijven van vele artikelen, brochures, vertoogen en memories. Over tal van zendingsonderwerpen heeft hij, deskundige als weinigen, zijn meening gegeven. In de reeks monographieën over De protestantsche Zending, behandelde hij een zestal onderwerpen, o.a. De Financiën der Zending, De Medische Zending,

Regeering en Zending, De invloed der Zending op Maatschappelijke toestanden.

Hij beheerschte het geheele Zendingsterrein in Nederlandsch Indië en werd in binnen-en buitenland dan ook beschouwd als een Nederlandsche Zendingsautoriteit. De Universiteit van Groningen verleende hem in 1914 het eere-doctoraat in de theologie.

De beteekenis van Gunning voor het Zendingswerk gedurende deze eerste kwart eeuw was groot. Hij zag in, dat de Zending zich in nieuwe banen moest begeven. Het zwaartepunt van den Zendingsarbeid lag niet in Nederland, maar in Indië. Vooral had hij een open oog hiervoor, dat de samenwerking der verschillende Zendingscorporaties èn in Nederland èn in Indië veel te wenschen overliet. Hij drong daarom aan op concentratie van het werk In het vaderland en vooral op een juiste verdeeling van arbeid in Indië zelf. Als vrucht op zijn streven zag hij o.a. de instelling van het Zendingsconsulaat in 1906 te Batavia, dat van zoo groot belang is gebleken voor de eenheid van het Zendingswerk, ook in de verhouding tegenover de Regeering. De conferenties van zendelingen op de verschillende terreinen bracht een meer onmiddellijk verband met de besturen in het vaderland. De zendelingen werden meer gespecialiseerd; naast de doktoren en onderwijzers, kwamen ook verplegers en diaconessen. Vooral drong hij aan op het ter hand nemen van het maatschappelijk werk door uitzending van zendeling-oeconomen. Een betere opleiding van Inlandsche onderwijzers en evangelisten had zijn volle aandacht. Kwam er in Indië door zijn stuwkracht meer eenheid en doelbewuste leiding, ook in Nederland kwam hij met kracht op voor betere samenwerking der onderscheidene Zendingscorporaties. Eerst werd aangestuurd op een gemeenschappelijke opleiding der kweekelingen — een gedachte die tot werkelijkheid werd in 1905 door de stichting van de Nederlandsche Zendingsschool, die in 1916 naar Oegstgeest verplaatst, nu de opleiding geeft voor alle Zendingscorporaties (zie artikel: Zendingsschool). Het resultaat van samenwerking, ook op finantieel gebied, werd tenslotte bereikt in de opening van het Zendingsbureau (zie desbetreffend artikel) te Oegstgeest. Al behield iedere corporatie eigen zelfstandigheid, hier is het middelpunt van dit Zendingswerk in Nederland.

Gunning was ook een voorstander van de zoogenaamde „kerkelijke zending" in de Nederlandsche Hervormde kerk, al was het dan niet langs de lijnen van de Gereformeerde Zending. Door „classicale zending" trachtte hij de Nederlandsche Hervormde kerk voor een bepaald Zendingsterrein te interesseeren en te doen medewerken. Het verband tusschen Kerk en Zending bleef echter zeer los.

In de betrekkingen van onze Nederlandsche Zending met die van het buitenland trad hij ook op den voorgrond. Op al de groote continentale en Amerikaansche conferenties was hij een vertegenwoordiger der Nederlandsche Zending. Reeds in 1910 nam hij zitting in het Continuation-Committee van Edinburgh. Op al de conferenties was hij vóór en na den wereldoorlog de

Sluiten