Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HEILIGMAKING

211

geloof, aan den zondaar tot zijne rechtvaardigmaking èn tot zijne heiligmaking, als Christus vóór ons en Christus in ons. riet geloof was beide: ontvangend orgaan en werkzame kracht; een hand, die de aangeboden gave aanneemt èn die naar buiten werkt in dienst van den wil; religieus en ethisch inéén.

Calvijn vatte in zijn Institutie het „Christelijk leven" op als een éénheid, beheerscht door den algemeenen regel in Rom. 12 ! 1 gesteld. Het gansche leven van den christen is toewijding aan den dienst Gods.

De secten, in het algemeen, gingen er van uit dat de rechtvaardigmaking met de heiligmaking

uiucai vvuiucn dailgCVUlQ.

John Wesley en het Methodisme legden zóódanigen nadruk op het gewicht der heiligmaking dat ze het er voor hielden dat zelfs de christelijke volmaaktheid hierin bereikbaar was, 't zij door een „tweede verandering" (second change) en een tweede geloofsdaad die haar deed grijpen, 't zij in meer geleidelijken weg (Fletcher, vgL het art. Perfectionisme).

Recht daartegenover staan alle antinomiaansche richtingen (zie het art.) 't zij van de theorie alleen, hetzij óók van de daad, die de werken gering, ja ze onnoodig achtten, aangezien we, in het stuk van gerechtigheid èn heiligheid, door het geloof, alléén van de gerechtigheid en heiligheid van Christus konden en moesten leven.

Tusschen deze twee uitersten in handhaafden en ontwikkelden de Gereformeerden hun gevoelen, bijv. in den Heidelbergschen Catechismus antwoord 113—115 op schoone wijze vertolkt,

«mi „e, is waar uc auerneiugsten, zoolang zij in dit leven zijn, nog maar een klein beginsel hebben der nieuwe gehoorzaamheid, die God van ons vordert en niemand Zijn geboden kan „houden", en nochtans we het ideaal hoog hebben te honden en in de kracht Gods er naar hebben te jagen of we het ook grijpen mochten: „Dat ook de minste lust of gedachte tegen eenig gebod Gods in ons hart nimmermeer kome, maar dat wij ten allen tijde van ganscher harte aller zonden vijand zijn en lust tot alle gerechtigheid hebben". s

Al ligt de mensch van nature ook in de diepte van de onmacht, en al belijdt de Christen ook nog zoo ootmoedig dat hfl op den weg der heiligmaking in dit leven slechts zet de allereerste schreden, nochtans kan en mag het ideaal zuiver en hoog gehouden worden omdat het de genade Gods is, die het ideaal nabij brengt.

Hij doet dat in en door Christus.

Christus is een volkomen Zaligmaker. Christus heeft alles volbracht. In Christus ligt alles geheel gereed. En onze gerechtigheid èn onze heiligheid. Hij is ons geworden tot wijsheid van God en rechtvaardigheid en heiligmaking en verlossing (1 Cor. 1 : 30). De heiligmaking is allereerst een daad Gods. Hij maakt ons heilig. Hij rekent ons de heiligheid van Christus toe, ons aanziende In den Borg. Hij deelt ons ook die heiligheid innerlijk mee, door de wederbarende en vernieuwende werking van den Heiligen en heiligenden Geest. Ook de heiligheid was een trek van het verloren Beeld Gods. Wat de zonde roofde, geeft de genade terug.

[ De Gereformeerden zagen het nu zóó dat, logisch, de rechtvaardigmaking vooropgaat (Rom. 8 : 30; 1 Cor. 1 : 30) als rechterlijke, juridische! daad Gods die de gerechtigheid Gods, de gerechtigheid van Christus, den zondaar toerekent en hem op grond daarvan vrijspreekt van schuld en straf en recht geeft op het eeuwige leven ■ maar dezelfde genade Gods, die hierin aan het werk is, dan ook tevens de heiligmaking schenkt als voortgaande werkzaamheid van den Heiligen Geest, die, nu in ethischen zin, de heiligheid van Christus maakt tot het persoonlijk bezit van den geloovige, waarin en waaruit deze hoe langer hoe meer leert te leven.

Onderscheiding is dus gerechtvaardigd, scheiding nimmer.

De unio mystica met Christus waarborgt ook onze heiligmaking, als Hij leeft in ons en wij in Hem. *

Onze heiligmaking wordt evenzeer gewaarborgd door het hem kenmerkend werk van den Heiligen Geest, die in de gemeenschap met Christus inlijft, wederbaart, het leven schenkt wascht, heiligt, reinigt, allerlei vrucht doet dragen (Gal. 5 : 22), allerlei gaven meedeelt (Rom 12 : 6; 1 Cor. 12:4), vooral de liefde (1 Cor. 13); de Geest, die in de geloovigen woont en hen doet zijn in Hem, om naar Zijn wil te leven (Rom. 8 : 1, 4, 9-11; 1 Cor. 6 : 19; Gal. 4 : 6 enz.).

Ongetwijfeld wordt de heiligmaking in de Heilige Schrift gave en werk des Vaders genoemd (Joh. 17 : 1) en des Zoons (Ef. 5 : 26), maar toch in het bijzonder gave en werk van den Heiligen Geest (1 Petr. 1 : 2). De geloovigen worden door Hem freheiliorl li rw «.n\

en tot nieuwe menschen gemaakt (2 Cor. 5: 7) èn Hij wordt in hen het levensbeginsel waaruit zij leven, zeiven zich heiligende, Gode levende zich wijdende aan de vervulling hunner heilige' roeping (Rom. 6; 12 : 1; 1 Thess. 4 : 3). De geheihgden in Christus Jezus moeten immers ook zeiven heilig zijn in al hun wandel (1 Petr 1 : 15; 2 Petr. 3 : 11), ja, de heiligmaking najagen, zonder welke niemand den Heere zal zien (Hebr. 12 : 14). Bij het licht van deze laatste uitspraak beschouwd kan men de zegswijzede goede werken zijn noodzakelijk ter zaligheid! over welke veel gestreden is, aanvaarden. De geloovigen zijn immers ook geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft opdat zij daarin wandelen zouden (Ef 2: 10). Navolgers Gods te zijn, als geliefde kinderen, brengt plicht en lust tot het doen van goede werken mee, tot den wandel als kinderen des lichts, tot het wandelen in de liefde (Ef. 5 : 2, 6, 8).

°e heiligmaking is de openbaring der dankbaarheid; de dankbaarheid voor de verlossing die in Christus lezus is. Wie den naam van

Christus noemt, sta af van alle ongerechtigheid (2 Tim. 2 : 19).

Het werk Gods is: te gelooven Goh. 6 : 29) maar wie gelooft doet „van zelf* de goede werken die er uit voortspruiten; het levend geloof laat niet ledig of onvruchtbaar. Het is werkzaam in de liefde (Gal. 5 : 6).

In de heiligmaking behoort de christen te

Sluiten