Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HEL - HELDRINO-GESTICHTEN

213

tegen de heksen. De Dominlkanen gaven in 1487 den Heksenhamer, waarin nauwkeurig omschreven werd, hoe een heks was te onderkennen en hoe tegen haar moest worden opgetreden. Doch niet alleen de Roomsche kerk staat hier schuldig, ook in de kerken der Hervorming drong het heksengeloof in. De heksenprocessen duurden in Europa tot in het laatst van de 18e eeuw, in Mexico kwamen ze nog voor in de tweede helft van de 19e eeuw. Om een heks te onderkennen paste men de z.g. heksenproef toe. Men wierp de vrouw in het water; zonk ze, dan was ze onschuldig, bleef ze drijven, hetgeen door het enkele kleedingstuk dat men haar liet aanhouden, vaak geschiedde, dan was ze heks. Ook woog men de vrouwen om te zien, of zij bijzonder zwaar waren. Een heel gewoon middel was ook om door foltering te doen erkennen, dat een bondgenootschap met den duivel was gesloten. Wie schuldig werd verklaard, werd ter dood gebracht, gewoonlijk verbrand. Zoo zijn op soms losse vermoedens of niets beteekenende klachten talrijke vrouwen (men spreekt van een millioen) gerechtelijk vermoord.

Vooral in de 17e eeuw kwam er verzet tegen de heksenprocessen. Zoo van de zijde van Balthasar Bekker, Christiaan Thomasius. En thans is dit bijgeloof gelukkig uit de Christelijke wereld verdwenen. [ 17.

Hel, Deel 2, bl. 531, kol. 2, regel 17 van boven staat Luc. 26 : 23, lees: Luc. 16:23. Bfe 532 kol. 2 regel 22 en 23 moeten kwaliteit en kwantiteit van plaats verwisselen.

Heldring-Gestichten. De huizen van Barmhartigheid te Zetten door Ds O. O. Heldring in het geloof gesticht, door de kracht der Christelijke liefde onderhouden en steeds meer uitgebreid. Terecht naar zijn naam genoemd, wijl hij van het oogenblik der oprichting tot zijn dood toe zich aan de belangen der reddingshuizen gewijd heeft.

Ds Heldring (Deel II, blz. 535) bezocht in 1847 de gevangenis voor vrouwen te Qouda. Een Roomsch meisje riep tot hem: „Ach, mijnheer, wat moet ik beginnen ?" Deze noodkreet bracht hem tot het groote besluit, een asyl voor zulke ongelukkigen te stichten. In al den arbeid zijner drie reddingshuizen, hun Bijbelsche namen getuigen het, werd hij geleid door de overtuiging, dat Ood, in wiens Naam hij het werk ondernam, dezelfde was, die eenmaal den bajerd in een paradijs had veranderd.

Het asyl Steenbeek, inl848gesticIM,alseen toevluchtsoord voor berouwhebbende gevallen vrouwen, is het eerste in de rij.

Geleidelijk zijn al de andere daaruit voortgekomen. Vrij van allen kloosterlijken dwang, was het een huis, slechts van binnen, niet van buiten gegrendeld. Wijl in Steenbeek al wie zich aanmeldde, werd opgenomen, bleek al spoedig, dat schifting der zeer gemengde bevolking noodzakelijk was. In 1856 werd Talitha Kflmi (Dochterke, sta op I) gesticht, met het biddend vertrouwen, dat menig verloren meisje door den Verlosser uit den dood der zonde opgewekt worden zou. Dit tweede reddingshuis was bestemd voor verwaarloosde meisjes van $ tot 16

jaar. Er waren verscheidene uit de gevangenis ontslagenen onder. Toen voortgezette schifting noodzakelijk werd, is in 1861 Bethel geopend, bestemd voor verwaarloosde meisjes boven de 16 jaar. Dit derde huis vormde een schakel tusschen Steenbeek en Talitha Kflmi. Steenbeek trachtte te genezen door de gevallenen op te heffen; Talitha Kflmi wilde voorkomen door de eerste schreden van verstooten kinderen te leiden; Bethel trachtte degenen, die op den rand des verderfs zich bevonden, te behoeden.

Ook hier waren losgelaten gevangenen. Het le was genezend, het 2e leidend, het 3e beschermend. Ieder huis stond onder eigen directrice, souvereine op haar gebied. Ook had elk asyl een huisregel, die des Zondagsmorgens werd voorgelezen. In 1864 werd de Christelijke Normaalschool voor onderwijzeressen gesticht. Deels uit behoefte aan goede onderwijzeressen en bekwame helpsters voor de stichtingen; maar vooral óók, omdat Ds Heldring het als zijn roeping gevoelde, barmhartigheid te betoonen, niet alléén aan wie in zonde gevallen, maar ook aan wie tot armoede geraakt waren. Tot degenen, die zich aanmeldden, behoorden zelfs dochters van aanzienlijken huize.

In 1870 werd op den Vluchtheuvel het Gestichtskerkje gebouwd. Des Zondags werd daar het Evangelie gepredikt. In tijden van watersnood bood het aan de bevolking een veilige toevlucht.

Ds Heldring schreef bij de opening der eerste stichting: „Daar staat dan Steenbeek, om sommigen te redden, maar bovenal om te getuigen tegen de gansche natie. Zal het asyl aan zijn oogmerk voldoen, dan moet van daaruit hoe langer hoe krachtiger tegen de zonde der ontucht worden getuigd." Dit doel werd eerst ten volle bereikt door zijn opvolger Dr H. Pierson (Deel IV, blz. 568). Als knaap bevriend met den vroeg gestorven oudsten zoon van Ds Heldring, werd hij reeds vroeg met diens levenswerk bekend. Het optreden van Dr Pierson viel samen met den arbeid van Josephine Butler in Engeland, en met het eerste Congres der Federatie tegen gewettigde ontucht, in Genève 1877 gehouden. Dit heeft op zijn arbeid een bepaald stempel gedrukt. Hij breidde het door Heldring begonnen werk niet alleen krachtig uit, maar belijnde en verdiepte het ook. Deze man van sierlijke gaven, op onderscheiden gebied, stond, evenals Ds Heldring, jaren lang op een eenzamen post, in een toen nog vrijwel geïsoleerd Betuwsch dorpje, ten einde aan gevallen vrouwen, misbruikte meisjes en verstooten kinderen Christelijke barmhartigheid te betoonen. Doch van Zetten uit is hij het gansche land doorgegaan, om bij overheid en volk, in prediking en debat, een machtig protest te doen hooren tegen de gereglementeerde ontucht (Art. 452. Wetboek van strafrecht, 1879). Vijf en twintig jaren lang heeft Mejuffrouw Maclaine Pont, vooral ook door haar vaardige en fijne pen, krachtig hem daarin ter zijde gestaan. Dit was het heldentijdperk der Heldring-Gestichten. De bangste periode van Dr Pierson's leven. Maar de zware strijd werd heerlijk bekroond. De Kinderwetten, 1905, de Voogdijwetten en de Zedelijk-

Sluiten