Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ONGEVALLENWET — ONS HUIS

327

Groningen met 1.90; Gelderland met 1.80; Zeeland met 1.69; Drenthe met 1.54; Friesland met 1.42; Limburg met 1.22; Noord-Brabant met 1.13 en Overijsel met 0.93. In de gemeenten boven de 100.000 inwoners is het kwaad relatief 't grootst, n.1. 3.35 per 100.'s-Gravenhage spande in 1929 de kroon met 4.04; dan volgen Amsterdam met 3.66, Rotterdam met 2.82 en Utrecht met 2.19 per 100 levend aangegevenen. Het aantal levenloos aangegeven onwettigen was in 1929 in Den Haag zelfs 6.03 per 100.

Ongevallenwet is de eerste sociale verzekeringswet, die ons Staatsblad bereikte. Door het kabinet-Mackay was een commissie ingesteld om te onderzoeken, welke maatregelen er te treffen waren om tot een wettelijke ongevallenverzekering te geraken. Algemeen was men tot de overtuiging gekomen, dat een ingrijpen van Overheidswege dringend noodig was, nu het particulier initiatief blijkbaar onvoldoende hulp bood. Het had er dan ook allen schijn van, dat het regeeringsontwerp zonder veel discussie aangenomen zou worden. Dr A. Kuyper kwam echter met het beroemde „groot amendement", waarin hij de gedachte van sociale decentralisatie had neergelegd; hij wilde n.1. de maatschappelijke organisaties in de uitvoering der wettelijke ongevallenverzekering betrekken. Strekking der Staatsinmenging moest volgens Kuyper zijn: de zelfwerkzaamheid der organen van het maatschappelijk leven op te wekken. De Memorie van Antwoord (Januarie 1899) omzeilt Kuypers bezwaren en doet een kleine concessie. Het groot-amendement werd verworpen. De Eerste Kamer verwierp evenwel het ontwerp-Lely, dat door de Tweede Kamer op 13 December 1899 aangenomen was, in hare zitting van 1 Juni 1900. Drie weken later kwam de regeering echter al weer met een nieuw ontwerp, waarin men met de wenschen der oppositie rekening gehouden had: voor het dragen van eigen risico en voor de risico-overdracht was ruimte gelaten. Dit ontwerp, waarin de idee, die aan Kuypers amendement ten grondslag gelegen had, grootendeels was verwerkt, werd door de beide Kamers op 25 October en 6 December 1900 aanvaard. De Ongevallenwet-1901 is op 1 Februari 1903 in werking getreden.

Onder minister Aalberse is deze wet belangrijk herzien en uitgebreid. De Ongevallenwet 1921 omvat thans alle bedrijven met uitzondering van land-, tuin-, boschbouw en veehouderij, voor welke takken van bedrijf in 1923 de Landen Tui nb ou w-on ge vallen wet in werking trad (wet van 20 Mei 1922, Staatsblad 365).

De Ongevallenwet strekt om voor bepaalde bedrijven bij de wet te voorzien in de verzekering van werklieden tegen geldelijke gevolgen van ongevallen, hun in verband met de uitoefening van hun bedrijf overkomen. Werkman in den zin der wet is ieder, die in dienst van een werkgever in diens onderneming tegen loon werkzaam is, met inbegrip van volontairs, leerlingen e.d., die geen loon ontvangen; personen beneden de 21 jaar; en personen, wier loon goeddeels uit fooien bestaat.

De hoegrootheid der uitkeering is in hoof dstuk UI der Wet geregeld. De Rijksverzekeringsbank

verleent den verzekerde, wien een ongeval is overkomen in verband met zijn dienstbetrekking als schadeloosstelling genees- en heelkundige behandeling, waaronder begrepen het verstrekken van kunstmiddelen, welke de arbeidsgeschiktheid kunnen ten goede komen, en ook onderricht in het gebruik dier kunstmiddelen (art. 14).

Behalve een tijdelijke uitkeering ten bedrage van 70 % van het dagloon, indien de verzekerde den derden dag na het ongeval niet in staat is zijn gewone werk te verrichten — te rekenen van den dag van het ongeval en uiterlijk tot den 43en dag — wordt nog verstrekt een uitkeering, rente genaamd, indien de verzekerde 6 weken na het ongeval geheel of gedeeltelijk tot werken ongeschikt is; en wel bij geheele ongeschiktheid ten bedrage van 70°/o van zijn dagloon of van een deel daarvan in verhouding tot de verloren geschiktheid tot werken, zoo hij gedeeltelijk ongeschikt is (art. 15 en 16).

In de derde plaats keert de bank, als de verzekerde overlijdt tengevolge van een ongeval, de volgende schadeloosstellingen uit: begrafeniskosten (dertigmaal het dagloon) en een rente aan de nagelaten betrekkingen (voor de weduwe 30% van het dagloon tot haar dood of opvolgend huwelijk; voor ieder kind tot 16 jaar 15°/o, of, als het ouderloos wordt, 20%). Deze renten mogen tezamen niet meer dan 60% van het dagloon van het slachtoffer bedragen (art. 19, 21, 22, 23, 24).

Als indirecte schadeloosstelling mogen we beschouwen de mogelijkheid van art. 25, n.1. om de arbeidsgeschiktheid van een getroffene door opleiding te verhoogen.

Wanneer er opzet bewezen kan worden, vervalt elk recht op schadeloosstelling.

Alle kosten komen ten laste van de werkgevers. Hierbij heeft natuurlijk de gedachte voorgezeten, dat het bedrijf zelf zorgen moet voor de risico's aan het bedrijfsgevaar verbonden, onafhankelijk van de schuld van werkgever of werknemer. Voor 1922 werd een deel der administratie-kosten door het Rijk betaald. Thans is dit niet meer het geval. In de art. 40—52 der Ongevallenwet vindt men een gedetailleerde regeling van de wijze waarop de middelen tot dekking der kosten worden opgebracht. Men heeft gevaren-klassen in het leven geroepen, met gevaren-cijfers, die uitdrukking geven.aan de verhouding van het bedrag, dat door elke onderneming moet worden opgebracht.

Ons Huls. Naar Engelsch en Amerikaansch voorbeeld richtten in de laatste jaren der vorige eeuw eenige Amsterdamsche heeren (P. W. Janssen, I. A. Tours en C. P. van Asperen van der Velde) een vereeniging op, die zij „Ons Huis" noemden. Deze vereeniging stelde ten doel het werk te doen, dat in de Angelsaksische landen door de z.g. Toyn-bee vereenigingen werd gedaan: in de groote steden de jongens en de meisjes van onderscheiden leeftijd van de straat houden; hen in clubjes vereenigen, hen nuttig bezig te doen zijn en op aangename wijze hen verschillende dingen, die het leven hen misschien zou hebben onthouden, te leeren. Er zijn clubs voor timmeren, houtbewerking, handwerken, slöjdwerk, teekenen, zang en mu-

Sluiten