Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OORTJENSGELT — OPSTAND

331

Oortjensgelt of oordgensgelt, komt van oortgen of oortjen, een kleine munt van het oude muntstelsel en dankt haar naam aan een muntstuk dat in vier hoeken of oorden was verdeeld. Dit oortje vertegenwoordigde de waarde van V4 stuiver. (Zie over de oude munten het artikel Muntstelsel vóór 1823.) Het spreekwoord gold: „Hij heeft zijn laatste oortje versnoept", d.i. niets meer over.

Het oortjensgelt waarvan men leest in oude kerkelijke archieven behoorde gewoonlijk tot de inkomsten der diaconie. Aan het hoofd van eene diaconie-rekening anno 1726 staat: „Ontfangh wegens het Oortjensgelt bij haar Ed. Groot Mogende Heeren uyt de verpagtinge van de gemeenelants impositiën uyt de contante rantsoenen voor de arme reysigers toegestaen". Het was dus eene polderbelasting, waarvan de Diaconie een zeker percentage genoot om daarvan de zwervers (zie het artikel Passanten) te bedeelen, die wij in zeer bonte schakeering vanaf den tijd der vervolging tot circa 1750 ontmoeten. De vorige eeuw werd het vrij algemeen afgekocht. 156.

Oosterlee (Pieter), leerling van de oudste Christelijke Kweekschool „De Klokkenberg" te Nijmegen, gaf eerst les aan het instituut Noorthey te Voorschoten, vervolgens als hoofd te Franeker, totdat hij In 1882 op „De Klokkenberg" in dienst trad als onderwijzer aan de leerschool, daarna, van 1885 — 1888 als leeraar aan de Kweekschool, vervolgens aan 1894—1906 als leeraar-onderdirecteur, en sindsdien als directeur, terwijl hij van 1905—1920 ook de leiding had van het internaat aan de Oude Stadsgracht, welke functie hij bij de ingebruikneming van het nieuwe internaat aan den Ubbergschen veldweg neerlegde. De bekwame directeur van „De Klokkenberg" was ook buiten Nijmegen in de onderwijswereld een eminente figuur. Zoo werd hij bij de instelling van den Onderwijsraad (nieuwe L. O.-wet) daarvan lid, in welke functie hij later opgevolgd werd door zijn zoon, Dr A. Oosterlee, van Zetten. Ook is hij jarenlang voorzitter geweest der Vereeniging van Christelijke Onderwijzers en Onderwijzeressen, waar hij steeds door zijn pittige redevoeringen aller oor had. Man van universeelen aanleg en van groote toewijding, belezen als weinigen, vaardig en vruchtbaar met de pen, was hij in de onderwijswereld een publicist van naam. Vol geest en fijne gedachten zijn zijn tallooze artikelen in dag- en weekbladen en tijdschriften, zijn referaten en brochures, zijn werken van grooteren omvang, niet het minst zijn studie over Alexander Vtnet als opvoeder. Waar liet Oosterlee zijn licht al niet schijnen! Behalve in de pers — voor onderwijzers, studenten, predikanten; op meetings, aan volksuniversiteiten enz. enz. En overal was hij de geliefde, geëerde spreker, de aantrekkelijke, beminde persoonlijkheid, niet het minst geacht om de deugdelijkheid van zijn karakter, zijn haast al te ver gaande bescheidenheid, zijn werklust, zijn niet te dooven geestdrift voor recht en gerechtigheid. Bij de onderwijzers gold deze geboren paedagoog als „onze professo?' in de paedagogiek. En Fr. Rombouts, die in het 4e deel van zijn Htstortse Pedagogiek

een dertigtal bladzijden aan hem wijdt, noemt Oosterlee als „een eereplaats innemend onder de principieel Christelijke paedagogen van ons land". Door zijn gezondheidstoestand zag hij zich in Januari 1930 genoopt heen te gaan als directeur van „De Klokkenberg". En terwijl zijn oud-leerlingen zich gereed maakten hem te huldigen, stierf hij plotseling 5 Juni 1930 in den ouderdom van 67 jaar. We noemen hier slechts enkele zijner uitgaven: Onbegrepen kleinen, Kleuters ome opvoeders, Legenden, Onze opgroeiende kinderen, Orde en tucht, betoonen en straffen, Over de phantasie in het kinderleven, Godsdienstonderwijs, Geschiedenis op de Volksschool, Karakterhervorming, Montessori, alle studiën, met moeite te doorworstelen van wege den rijkdom der gedachten, de volheid van paedagogische wijsheid en de veelheid van citaten. Wat die citaten betreft, ze zijn schaarscher dan gewoonlijk in zijn Geschiedenis van het Christelijk Onderwtis. Daardoor is dit boek dan ook minder vermoeiend. Verder kenmerkt het zich als geheel geschreven in de lijn van Van der Brugghen, den geestelijken vader van Oosterlee. [ 30.

Opleidingsscholen. Deel IV, blz. 456. Uitgevallen zijn: Opleidingsschool te Karoeni (Soemba) en te Malang (Oost-Java), beide voor vorming van helpers bij den dienst des Woords, de laatste ook voor pandita-djawa. Sinds kort is er te Malang óók een Christelijke HollandschIndische Kweekschool, ter opleiding van onderwijzeressen) aan de Hollandsch-Inlandsche en Hollandsch-Chineesche scholen. [ 35.

Opstand (Recht van). De vraag: of men het recht heeft op te staan tegen het gezag of den gezagdrager, hangt ten nauwste samen met de vraag naar den oorsprong en het karakter van het gezag. Uit Rom. 13 blijkt overduidelijk, dat er geen macht is dan van God en dat de machten die er zijn van God verordineerd zijn. Paulus wijst in dezen tekst dus op den goddelijken grondslag van het gezag en den gehoorzaamheidsplicht der burgers.

Intusschen behoort wel goed onderscheiden te worden of dit gezag rechtmatig dan wel onrechtmatig is. Rechtmatig is het, wanneer de gezagdrager het recht heeft, bevelen te geven en gehoorzaamheid te eischen; onrechtmatig daarentegen, wanneer zijn gezag steunt op machtsmiddelen in stede van op recht gegrond te zijn. Kennelijk doelt Paulus in den Romeinerbrief op het rechtmatige overheidsgezag. (Vgl. Groen van Prinsterer, Ongeloof en Revolutie, 2e uitgave blz. 46/47).

Wanneer kunnen wij nu van wettig, van rechtmatig gezag spreken ? Het antwoord luidt: Overheidsgezag is rechtmatig, wanneer het volgens de voorschriften van de wet of volgens andere regelen van positief recht of volgens de beginselen van het volkenrecht is gevestigd. Op deze wijze kan rechtmatig gezag ontstaan door erfopvolging (van vorsten), door keuze of benoeming van ambtsdragers (b.v. president van een republiek) of door verdrag, gesloten tusschen vorst en volk.

Maar is het gezag, dat gevestigd is door een revolutie met verkrachting van de bestaande Staatsinstellingen of van het positieve recht, ook

Sluiten