Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

400

TISZA — TOET-ANCH-AMEN

ware grondslag van het staatkundig leven vond hij zoo in de gerechtigheid. De kerk, als de belichaming der gerechtigheid, was de hoogste gebiedster over de menschen, de vorst als de belichaming der wet, nam de tweede plaats in.

Handelde de vorst onrechtvaardig, dan werd hij een tiran en tirannenmoord is verdedigbaar. De dood van den tiran moest echter op passende wijze geschieden en zonder krenking van het godsdienstig gevoel; vergif moest niet worden gebruikt, omdat dit niet door schriftuurlijk gezag werd gedekt. De veiligste weg om van den tiran bevrijd te worden was het gebed en de afwending van de goddelijke gramschap, die de tirannen als een straf toezendt.

Johannes van Salisbury leerde, dat de tiran geen rechten heeft tegenover het volk, wijl geen mensch het recht heeft over een ander te heerschen, behalve wanneer er een medewerking is aan het goddelijk plan tot doorvoering van recht en gerechtigheid.

Deze leer is voor de volgende eeuwen van groote beteekenis geweest.

Thomas van Aquino stemde er echter niet geheel mee in. Hij grondde het staatkundig gezag op de Aristotelische gedachte van de sociale natuur des menschen, waaraan hij de leer verbond van den goddelijken oorsprong van den staat in overeenstemming met Paulus' woord: Er is geen macht dan van Qod. Met de middeleeuwsche liefde voor eenheid, gaf hij aan monarchie de voorkeur boven de democratie, wijl hij van meening was, dat de democratie verdeeldheid teweeg bracht. De heerscher moest één zijn, zooals het hart het lichaam beheerscht en God over het heelal regeert.

Thomas herkende het element van anarchie in den tirannenmoord en verwierp dien. Hij hield er echter aan vast, dat een tirannieke heerscher mocht worden afgezet, tenminste in een kiesmonarchie. Hij verdedigde een verhouding tusschen regeering en onderdanen, die naderde tot de latere theorieën van de constitutioneele monarchie.

Een uitwerking van Salisbury's gedachten werd gegeven door den Jezuiet Juan Mariana (1536— 1624). Zijn boek: De Rege et Regis Institutione, opgedragen aan den tateren Filips III, bevatte practische voorschriften als leiddraad voor een heerscher. Hij dacht zich den staat ontstaan uit een onderlinge overeenkomst onder het volk, wanneer de gouden eeuw onmogelijk was gemaakt door behoefte aan bescherming. Een heerscher werd gekozen, maar met beperkte macht, daar het volk de rechten van wetgeving en belastingheffing voor zich behield.

Een heerscher, die door geweld aan het bewind was gekomen, of een wettig gekozen heerscher, die tiranniek regeerde, mocht, na een officiëele waarschuwing door de volksvergadering, worden vermoord door een gewonen burger, hetzij openlijk of heimelijk, maar met zoo min mogelijk opschudding.

Was Mariana tegen de aanwending van vergif in spijs of drank, omdat dit zelf moord insloot, vergiftiging door kleeding of kussens achtte hij geoorloofd.

Zie verder het artikel Monarchomachen en Recht van Opstand. [ 47.

Tisza (Stephanus, Graaf), beroemde Hongaarsche staatsman en leidsman in de Hongaarsche Gereformeerde kerken. (1S61—1918). Als zoon van den evenzoo bekenden en machtigen ministerpresident Koloman Tisza (1830— 1902) kreeg hij reeds zeer vroeg een beteekenisvolle plaats in het Hongaarsche parlement en in het Hongaarsche Gereformeerde kerkelijk leven. Hij was de meest bevreesde en machtige bestrijder van de obstructie in het Hongaarsche parlamentarlsme. Hij behoorde tot de groote liberale partij, maar zijn liberalisme heeft in vele opzichten een geheel ander karakter, dan het liberalisme van West-Europa. Hij was n.1. wel anti-Roomsch, maar aan den anderen kant zeer Protestantsch en vooral Calvinistisch gezind. Graaf Tisza werd door koning Frans Jozef I twee keer tot minister-president benoemd. Ten eerste in 1903 en ten tweede in 1913. Toen de oorlog uitbrak, was hij de machtige leider van het land. Maar na den dood van Frans Jozef I (in 1916) heeft Karei IV, de nieuwe ongelukkige koning hem laten vallen en op den eersten dag van de beruchte October-revolutie in 1918 (31 October) werd hij door revolutionaire soldaten vermoord. Hij stierf als een Christelijke beid, niet wijkende en voor niets terugdeinzende. Nu weet reeds de wereld, dat hii iuist niét „de

oorzaak" van den wereldoorlog was. Als Gereformeerd kerkelijk leidsman stond hij in velerlei opzichten onder den invloed van de algemeene verslapping van het toenmalig Hongaarsch kerkelijk leven en hierdoor konden de Gereformeerde beginselen in zijn zieleleven en gedachtenwereld niet tot volle, logische en konsekwente heerschappij komen. Maar in zijn „bloed", karakter, persoonlijkheid, mentaliteit en optreden was hij toch in zeer vele opzichten — zou men kunnen zeggen — „atavistisch" Gereformeerd. Zijn kracht moest hij grootendeels aan de politiek wijden. Niettegenstaande, als oppercurator van het Kerkdistrict „Over de Donau" en als lid van het Generaal Konvent en Synode heeft hij veel voor zijn kerk gedaan. [ 43.

Toet-ancta-Amen, die in eene vroegere periode van zijn leven Toet-anch-Aten heette, regeerde in Egypte, niet lang na den Amarnatijd; zie Deel I, pag. 94. Hij was een zoon van Amen-hotep III bij eene vrouw van lageren rang, en werd een schoonzoon van Amen-hotep IV, den zoogenaamden „ketterkoning", die zichzelf Ichn-Aten noemde. De „ketterij" bestond hierin, dat Ichn-Aten brak met het Egyptische veelgodendom, waarin Amen of Amon sedert eeuwen de hoofdgod was, en dat hij enkel de zonneschijf, Aten, vereerde. De tegenstelling was belichaamd in de namen der beide godheden, Amen en Aten. Zoolang de held van dit artikel nog de leer van zijn schoonvader beleed, heette hij Toet-anch-Aten. Maar toen hijzelf koning was geworden (na de kortstondige regeering van een anderen schoonzoon, die Ichn-Aten was opgevolgd), gelukte het aan de priesters van de oude hoofdstad Thebe, de „ketterij" te onderdrukken en de oude goden weer tot eere te brengen. De koning verliet de nieuwe residentie, die door Ichn-Aten was gesticht, vestigde zich te Thebe, en veranderde zijn naam in Toet-

Sluiten