Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

464

ZOMERTIJD

bezwaren, welke men had tegen Talma's Ziektewet, was hierin gelegen, dat de uitvoering van deze wet voor een voornaam gedeelte berustte bij de publiekrechtelijke ziekenkassen van Raden .van Arbeid, waarvan een gevolg zou zijn, dat de particuliere ziekenkassen ten doode waren opgeschreven.

In het ontwerp had Talma aan de bijzondere kassen zelfs in het geheel geen plaats ingeruimd. Hij wilde één kas, door den Raad van Arbeid, uit patroons en arbeiders saamgesteld, beheerd. Maar, na een actie van Dr de Visser en den Christelijk Nationalen Werkmansbond, werd dit ontwerp zóó gewijzigd, dat ook bijzondere kassen konden worden erkend en toegelaten. Hun bewegingsvrijheid werd evenwel binnen enge grenzen gehouden.

De omstandigheid nu, dat de particuliere kassen steeds groeiden in beteekenis en omvang, was oorzaak, dat Posthuma, Aalberse en Slotemaker de Bruine in hun ontwerpen aan deze instellingen een breeder plaats toedachten. In het definitieve ontwerp vinden wij dan ook de erkende bedrijfsvereeniging terug naast de ziekenkassen van de Raden van Arbeid.

Hiermee is het „monopolie" van de Raden van Arbeid, dat hen door Talma's ontwerp gegeven was, weggewerkt en heeft het particulier initiatief en het zelf-doen door belanghebbenden weer een beduidende plaats gekregen.

Uit deze opmerking moet men niet afleiden, dat Talma geen oog zou gehad hebben voor het, zuiver anti-revolutionaire, beginsel van de vrije werking der maatschappelijke organen. Men mag niet vergeten, dat Talma een breederen opzet voor de Raden van Arbeid heeft bedoeld. Doch de bestrijding in de Kamer gaf hem de kans niet, zijn ideeën practisch te verwerkelijken. In zijn Raden van Arbeid had hij pariteit voorgesteld in net vaste geloof, dat dit een middel kon zijn om verder te komen in Nederland op den weg naar een streven naar sociale gerechtigheid.

Zonderlinge speling van de historie intusschen! De van ouds (sedert 1747) bestaande ziekenkassen zijn' bij het ontwerp-Slotemaker de dupe geworden. Deze immers kunnen niet meewerken aan de uitvoering der Ziektewet. De meestzui vere uiting van het particulier initiatief moest .plaats maken voor de kunstmatige, de geconstrueerde, althans niet organisch-gegroeide, bedrijfsvereeniging.

Een bedrijfsvereeniging is een vereeniging, die zich ten doel stelt de uitvoering der wettelijke ziekengeldverzekering, en die door den Minister als zoodanig is erkend; een erkenning, die van bepaalde vereischten afhankelijk gesteld is. Deze vereischten betreffen de oprichting en de inrichting der bedrijfsvereenigingen. Zij dienen o.m. er zeker van te zijn, dat er voor de verzekerden voldoende waarborg op uitkeering bestaat, om hun medezeggenschap te geven in de verzekering, en om zeker te zijn van voldoende soliditeit.

Art. 91 kent vier soorten van bedrijfsvereenigingen en wel:

1. de bedrijfsvereeniging, die opgericht wordt door een of meer, naar het oordeel van den -Minister van Arbeid, algemeen erkende werk-

geverscentralen tesamen met een of meer, naar het oordeel van den Minister, algemeene vakcentraien van arbeiders;

2. een bedrijfsvereeniging, van werkgeversverenigingen en arbeidersvereenigingen, die aangesloten moeten zijn bij de onder 1 genoemde centralen;

3. de bedrijfsvereeniging vóór 1 Juli 1929 opgericht door werkgevers; en

4. hetzelfde, van werkgevers en van arbeiders samen, niet aangesloten bij een centrale, als bedoeld onder 1, integenstelling met het onder 2 genoemde, waar men wèl bij een centrale is aangesloten.

Art. 119 der Ziektewet spreekt van het toezicht op de bedrijfsvereenigingen door een College van Toezicht. Een nadere regeling hiervan geeft het koninklijk besluit van 9 Juli 1929 (Staatsblad 383). De positie van het College van Toezicht zou men kunnèn vergelijken met die van den Verzekeringsraad.

De premies voor de Ziektewet, die een zeker percentage bedragen van het loon, dat in de periode, waarover de betaling loopt, door de verzekerden is verdiend, kunnen door den werkgever voor de helft op den arbeider verhaald worden. In bijzondere gevallen kan de Minister toestaan, dat een werkgever meer dan 50% van de premie afhoudt van het loon. Art. 116 zegt, dat van de door de bedrijfsvereeniging vastgestelde premie de helft door den verzekerde is verschuldigd. Dit aandeel mag echter maximaal de helft bedragen van de premie, welke verschuldigd zou zijn, als hij verzekerd was bij de ziekenkas van den Raad van Arbeid. . Een zeer bruikbare commentaar op de Ziektewet is de uitgave van het Verbond van Nederlandsche Werkgevers, Mauritskade 5 te Den Haag, getiteld: De wettelijke Ziekengeldverzekering, 1929.

Zomertijd. In Nederland geldt krachtens de wet van 23 Juli 1908 als wettelijke tijd de middelbare zonnetijd van Amsterdam. Het is middag, wanneer de zon den meridiaan, die over den toren der Westerkerk te Amsterdam gaat, passeert. In crisistijd werd, voor het eerst bij de wet van 27 April 1916 bepaald, dat de wettelijke tijd gedurende de zomermaanden een uur vervroegd zou worden ter besparing van kunstlicht. Bij de wet van 13 April 1917 werd een dergelijke regeling voor het jaar 1917 vastgesteld en de wet van 23 Maart 1918 bepaalde, dat voortaan geregeld 's zomers de wettelijke tijd een uur vervroegd, zou worden. De zomertijd zou worden ingevoerd gedurende een periode, jaarlijks bij Kon. Besluit vast te stellen. Dit tijdvak moet volgens de wetswijziging van 1922 liggen tusschen 18 Maart en 9 October. Toen de crisisjaren voorbij waren, hebben velen zich verzet tegen de handhaving van den zomertijd. Anderen hebben er voor gepleit, omdat daardoor personen, die den dag in een werkplaats of op een kantoor doorbrachten, 's avonds meer van de buitenlucht zouden kunnen genieten, en omdat ook de besparing aan kunstlicht van beteekenis is. De landbouwers, vooral de veehouders, hebben zich steeds met kracht tegen den zomertijd verzet. Op vele dorpen wil men

Sluiten