Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6

keek naar den bleeken Per, die daar als een hoofdman op de plecht zat en met guitige oogen weer nieuwe streken zat uit te denken. Martin, die arme jongen, was bang en begreep niet dat Per, die dommee moest worden, zooveel bedenken wou wat zonde voor Onzen lieven Heer moest zijn.

Per kwam uit de stad en was bij een visscher in de kost gedaan. De moeder was zeker een „vroolijk juffertje" geweest, maar nu was zij dood en zijn vader was een rijk, aanzienlijk man, zeiden de menschen, in ieder geval zond hij Per met Kerstmis ieder jaar tien kronen, zoodat Per altijd geld op zak had. Het was dus niet te verwonderen dat hij in aanzien was bij zijn kameraden en altijd hun heer en hoofdman was.

En de boot gleed verder, de grijze rotsen voorbij. Zij zagen het strand en de kleine visschershutten weg nevelen en in de verte verdwijnen. Tusschen de bergruggen in de verte straalde een roodgeschilderde hoeve op een witten muur.

Maar hier was de landpunt, en daar de pijnboom. Per klauterde naarxboven en maakte het einde van de lijn los, en de anderen keken de üjn na die in de diepte verdween. Wat zou ei^nu voor den dag komen?

„Roei!" commandeerde Per, die begon te halen.

Nu gleed de boot recht de fjord over en de lijn met de verspreide haken werd ingehaald en netjes in een cirkel op den bodem van een platte kist gelegd. Per's hart klopte onrustig. Daar kwam de eerste ruk, — er schitterde een visch in de diepte te voorschijn, — pf! niets dan een groote dorsch, dien hij handig over den rand van de boot wierp. Toen kwam er een lange, — nou, dat was tenminste een visch uit de diepe zee. En daarop kabeljauw, verscheidene kabeljauwen, de oude lui zouden zeker zóo blij zijn met

Sluiten