is toegevoegd aan uw favorieten.

De groote honger

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

"5

Zij sloeg de handen in elkaar.

„Wel, heb ik ooit van mijn leven! Ik, die drie, vier dagen lang neen heb gezegd! Ik wil niet, ik wü niet ik wü niet zei ik maar steeds. Dat doet er niet toe, zei'jij. Want ik wil. Je hebt me overgehaald en overrompeld anders met, — maar pas nou maar op "

Het volgend oogenblik sloeg zij de armen om zijn hals, maar toen hij haar kussen wilde, duwde zij hem weg

'aT^'a ?? » Zij' "je moet heusch met denken dat ik dat bedoelde.

Weldra wandelden zij gearmd de straat door naar Bruseth buiten de stad, waar de tante woonde. Het was september; de bergen waren met geel loof bedekt en gouden velden en de lijsterbes vertoonde roode bessen. Maar het was nog zomer in de lucht.

„Pf! Hemel, wat loop je toch onzinnig hard," zeide zij buiten adem.

S' T"i!"* Zij °P het Sras langs den weg

zitten Onder hen aan het glinsterende meer lag de stad

tei^lÏÏESuE SCh°0rSteenen' door heel

plotS* ^ m°eder Z°° geworden k ?" Merle

„Neen, — ik heb er niet naar willen vragen "

Merle trok met haar lippen aan een strootje.

„Je moet weten, - dat moeder de dochter van een dommee is. En toen, _ hij haar verbood om naar de kerk te gaan, gehoorzaamde zij. Maar zij kon niet slapen, zij vond, - zij vond dat zij haar ziel verkocht hadT"

„ün wat zei je vader daarvan?"

mWIÏPBriVBide hij' Maar moeder kon maar steeds niet sbpen. En toen liep het er op uit dat zij naar een inrichting moest." J