Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die overjas en die pet: en ze loopt met passen, stijf en wijd als een man.

Geen ronding, geen beweging, geen kleurtje of plooitje aan haar gezicht, dat aan iets vrouwelijks doet denken: onbe* minnelijk is ze en onbevallig, maar zon* der het te weten of te willen weten; — haar gedachten zijn de broodkorven en het slijk van den weg, dien ze treedt als een man.

Haar rauwe stem, zonder klank of buiging, schreeuwt door de gang, als ik 's morgens te bed ben wakker geworden: „Toalf sinten hjerrll" *)

Als ik bij haar thuis op huisbezoek ben, zie ik haar gelaat. Dat is zonder pet en jas toch net eender gebleven: een stijf en hard gezicht als van hout; rood gekleurd, en met lichtlooze, grijze oogen, die turen achter wimpers van varkenshaar. Haar breede ruwe lippen hangen half open, als mannenlippen, die gewend zijn een pijp te omklemmen.

Ze is karig in haar woorden. Ze zit op haar stroostoel tusschen de rommel en slaat haar blikken neer, met het stroeve

*) Twaalf centen hoorl

8

Sluiten