Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aanteekeningen.

393

al plaatst mr. L. Ph. C. van den Bergh zijn oorsprong in het Noordelijk Frankrijk1).

De Schelpengrot op Nienoort (blz. 244—252). Levende sage.

Van eenen Ridder (blz. 252—-255), met

Van eenen Koster en eene Kosterin (blz. 255—259), behoorende tot de Maria-legenden.

Men zal tegen mij opwerpen, dat hier niet de „Beatrijs" is gekozen, doch na de bewerking van Boutens was er natuurlijke aarzeling bij mij, om bij de poëtische wedergave nog een in proza te voegen.

Daarbij kwam nog de eigenaardige omstandigheid, dat er nog een sage onder ons volk leeft, welke met de legende van Beatrijs overeenkomst vertoont en wel de hier behandelde sage van

De Bergtoren van Deventer (blz. 260—265).

Een Schoone Historie van de Vier Heemskinderen (blz. 265—2 75). Uit den Fabelkring van Karei den Groote. Wellicht een der meest-geliefde romans in de 15 e, 16e eeuw, ja later nog zette zich de liefde van ons volk voor de vier Aymijns kinderen op hun ros Beyaert voort, en de Montelbaens-toren te Amsterdam zal eeuwig een heugenis blijven van den invloed dezer sage. Terwijl alle andere Arthur- en Karei-romans reeds tot de vergetelheid behoorden, en sergeant-majooor van Altena b.v. in 1812 zeer verbaasd was, toen hij in verschillende Duitsche plaatsen van zekeren Roland hoorde vertellen, was in 't begin der 1 ge eeuw de sage der Heemskinderen nog levend in ons volk.

J. A. Alberdingk Thym zegt van dit verhaal:

„De Nederlanders hebben de Heemskinderen bemind met eene trouwe, met eene ridderlijke, met eene Middel-

*) Mr. l. Ph. C. van den Bergh. De Nederlandsche Volksromans.

Sluiten