Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4

pb.aeda.v1es- van

van het nienschelijk egoïsme — welke ontwikkeling verkeerdelijk als altruïsme 'tot een tegenstelling is verwrongen ■— getuigt van het bewonderenswaardig zielkundig inzicht van den stichter van het Christendom.

Valt dus de principieele tegenstelling tusschen individu en gemeenschap op een hooger ontwikkelingspeil van het egoïsme meer en meer weg, dan wordt ook aan de onderscheiding tusschen privaat- en publiekrecht de bodem onttrokken. Men kan haar dan nog wel handhaven op didactische of paedagogische, wellicht ook op methodologische en stellig ook op historische en praktische gronden, doch een verschil in aard en wezen is dan toch niet meer aan te wijzen. En dit heeft niet alleen voor de philosophische rechtsbeschouwing, doch ook voor de wijze, waarop wij ons tegenóver de economische vraagstukken nopens de ordening van het bedrijfsleven hebben te plaatsen, groote beteekenis.

Het zal zoowel bij de privaatrechtelijke als bij de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie moeten gaan om de vraag, welke vorm het meest zal kunnen bijdragen tot versterking van de individueele persoonlijkheid en daardoor van de gemeenschap. Eeu andere mogelijkheid bestaat niet. Ziehier reeds het eerste groote gevolg van het terugbrengen der gemeenschapsidee tot haar individualistisch steunpunt, waarvan zij slechts tot eigen nadeel en door het begaan van een logische fout kan wordèn losgemaakt.

Men zou tot zekere hoogte den privaatrechtelijken, thans nog overheèrscbenden vorm van bedrijfsorganisatie den kapitalistischen kunnen, noemen, ware het niet, dat „kapitalisme" een proteus-term is, die tot veel misverstand aanleiding geeft. Bedoeld wordt, dat dergelijke organisatie slechts mogelijk is in een sfeer van vrijheid, welke juist door het privaatrecht wordt geschapen en gehandhaafd. Zij leeft van het begrip „zelfverantwoordelijkheid". Het spreekt vanzelf, dat die vrijheid niet inabsoluten zin is te verstaan. Zelfs de grondlegger der klassieke economie, Adam Smith, ') die dan toch bij de mannen van het laissez-faire beginsel ter

') Vgl. Wealth of Nations, bk II, ch. 2, blz. 307 (ed. Cannan), waar Smith t. a. v. de bankwetgeving — geen bankbiljetten beneden £ 5 — zegt: ,. Snch regulations may, no doubt, be considered as in some respect a violation of natural liberty. But those exertions of the natural liberty of a few individuals, which might endanger the security of the whole society, are, and ought to be, restrained by the laws of all governments; of the most free, as well as of the most despotical". Vgl. nog bk IV ch. 4 blz. 184/185 over de „three doties of the sovereign", bk I ch. 8, blz. 80, ch. 11 blz. 250, ch. 9 blz. 100, en Smith scherpen uitval tegen „people of the same trade", wier conversatie al spoedig, „ends in a cohspiracy against the public", ch. 10 blz. 130,

Sluiten