Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIII

— en lezers, die dat niet deden, wenschen wij ze ter goeder trouw V'1 In de hoofdpersoon, Aïbert, geeft Potgiete r zich zelf1: dezê~naam draagt ook de dienter uit_ Lief 'etc ""ËE^m^fGooi (Proza3 p. 197); ook in Oudejaarsavond en Nieuwsjaars-morgen (Gids 1837, M. p. 1 (herdrukt Werken VI, 68) dezelfde naam voor de vader, terwijl de dochter daar ook Henriette heet. Duidelik zijn de uitlatingen op p. 7, 16 en 28 : hij is onvoldaan met zich zelf en zijn tijd en vindt in de onderwerpen, die ter sprake worden

regten van den vorm zal tellen, door ons voor deze vertelling gekozen, dat hij ons zijsprongen veroorlooft als die, welke wij daar even hebben gewaagd ; maar mogten we zijn geduld op te zware proef hebben gesteld, hij houde het ons ten goede : Werken VIII, 53 ; zie ook Q u a c k Herinneringen p. 102 : Daarbij kwam zekere grilligheid in al zijn uitingen, een hak op den tak springen van zijn causerie, een voortdurend vragen en antwoorden ter zelfder tijd.

1 Toch komt in Albert, beter dan in Salmagundi en De Zusters b.v. het verhaal tot een afloop : aan 't slot is Albert de gelukkige aangenomen minnaar van Henriette, maar op de inkleding en de verhouding der verschillende personen zouden gegronde aanmerkingen te maken zijn: vreemd is b.v. de houding van Henriette tot de Heer Ter Veere, ook door A. voor een medeminnaar aangezien en daarom pas op p. 106 optredend als verloofde van H.'s nicht. Evenzo de ontdekking van A., dat T. V. geld en geest bezit (p. 44) terwnl hg pas p. 54 zijn naam verneemt en p. 92 aan hem wordt voorgesteld. Zo zouden er ook aanmerkingen te maken zijn op A.'s optreden tegen Anne, de vrouw van zjjn vriend De Maze, die door hem gewoonlik „Mevrouw" (p. 10, 11, enz.) maar p. 105 plotseling „zusjelief' wordt genoemd. Ook Anne zelf maakt een vreemde indruk, als ze p. 10 Albert schertsend op zijn onbeleefdheid wijst en t. z. p. een liefdesverklaring van hem aan Henriette haast uitlokt; zo ook Van Uphoeve, die aan Henriette caprices verwijt (p. 61), enz. ; zie ook N. Donker (H. Th. Boelen) in Nederland 1864, II, 157.

3 Zie V e r w e y, Het Leven van Potgieter p. 237 en Q u a e k, Herinneringen p. 105 : Hij (P.) was altijd subjectief, gelijk bij ook in zijn proza steeds zich zelf als voor den lezer inschoof. Zijn eigen persoonlijkheid drong hij in de verhalen en kritieken naar voren. Het was alsof hij den lezer niet toestond hem, Potgieter, te vergeten." Nippold in Mannen van Beteekenis 1875 ziet ook in Albert een dichterlike biecht van de idealen en wensen van de schrjjver.

3 Wordt altijd aangehaald in de vijfde druk

Sluiten