is toegevoegd aan uw favorieten.

Albert

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

93

daagsche : „O, het is er heerlijk!" van Anne, met het nog prozaïscher: „Zoodra de spoorweg klaar is, huur ik er een' optrek," van Ter Veere. Neen, het kon hem niet invallen voor zulk een gehoor zijner bewon* dering bot te vieren van dien Dichter, welke hem zoo dikwijls had verplaatst op de heuvelen, waaraan hij den rang van bergen bedeelde, dewijl zij over meer verschiet heerschen, dan ons Vaderland behoort, — een' Dichter zulk eene natuur waardig, als bij de beken

M aarzelen doet werwaarts te vbeten, daar de schoonheden der dreef hier en ginds even uitlokkende zijn. Of had dat paar vóór hem ooit, zoo als Albert, de armoede onzer Letterkunde betreurd; ooit, zoo als hij, haar volslagen gebrek gevoeld aan aanschouwe-

15 bjke natuurbeschrijving ? Honderde onzer Schrijvers en Dichters hebben daar gereisd, genoten, geleefd; maar wie heeft partij getrokken van de studie, die er lust bad moeten zijn ; wie zag die natuur met de oogen eens minnaars ? De uitdrukking, hoe vurig, is flaauw1,

20 — wie toonde zich doordrongen van het besef, dat hij een goed werk zou hebben gedaan, zoo hij tot de ontwikkeling van den zin voor haar schoon bijdioeg ?

Erger u niet-aan de klagte, of kent gij Hollandsche vernuften, die landschappen hebben geschilderd, zoo

26 als La Martine ; dorpen geschetst, zoo als de talentvolle Miss Mitford ; tafereelen van veid- en woud- en jagten vischgeneugten geleverd, zoo als Howitt; oogsten bezongen, zoo als de éénige Burns ; bloemen con amore en met kennis geteekend, zoo als Nodier ! Het is eene

30 mijn, die op te delven valt, voor wie de band aan de spade wil slaan ; maar tot heden beschaamt de waarheid onzer schilderschool, waarop wij zoo trotsch zijn, onze litteratuur deerlijk. Wat is de natuur der laatste anders, dan eene kleurlooze overlevering, eene conven-

s* tionneele stoffaadje ? „Drievierde onzer poëten,"

1 Gids 1841: is te flaauw